Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.2.1
5.2.1 Het ontstaan van Criminele Inlichtingendiensten
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband C. Fijnaut, F. Bovenkerk, G. Bruinsma & H. van der Bunt, Organized Crime in the Netherlands, Den Haag: Kluwer Law International 1998.
Zie P.J. Aalbersberg, B.N. Barendregt & J.B.A. de Wit, ‘De ontwikkeling van het CIDwerk’, in: A.W.M. van der Heijden (red.), Criminele inlichtingen. De rol van de Criminele Inlichtingendiensten bij de aanpak van de georganiseerde misdaad, Den Haag: VUGA 1993, p. 51-65 en H.J. Graafland, ‘Regeling criminele inlichtingendiensten’, Algemeen Politieblad 1982-3, p. 54-58.
Stcrt. 1986, 141.
C.F.H. Breen & M.G. Van der Vegt, ‘Effectiviteit van de CID-regeling’, Algemeen Politieblad 1987-4, p. 88-89.
Zie in dit verband ook A. Patijn, ‘De controle op de criminele inlichtingendienst’, NJB 1995, p. 696-701 en B. Hoogenboom, ‘Over de betrekkelijkheid van het debat over opsporingsmethoden’, DD 1995, p. 570-593.
Stcrt. 1995, 74.
Stcrt. 1995, 46.
D. van der Bel, A.M. van Hoorn & J.J.T.M. Pieters, Informatie en Opsporing. Handboek informatieverwerving, -verwerking en -verstrekking ten behoeve van de opsporingspraktijk, Zeist: Uitgeverij Kerckebosch 2013.
Kamerstukken II 1995-1996, 24 072, nrs. 10, 11, 14 en 15 (eindrapport ‘Inzake Opsporing’ van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden en de daarbij behorende bijlagen V en VI).
Tot het eind van de zestiger jaren van de 20ste eeuw zijn aard en omvang van de criminaliteit in Nederland relatief beperkt, overzichtelijk en beheersbaar. Echter vanaf dan verandert de criminaliteit in hoog tempo. Er ontstaan (in ternationale) criminele samenwerkingsverbanden, criminelen worden steeds mobieler en hun technische mogelijkheden groter. Ook de vormen van criminaliteit veranderen: drugshandel, mensensmokkel, milieudelicten en fraude doen hun intrede.1
De inhoudelijk sterk veranderde en beter georganiseerde criminaliteit spoort de politie aan tot verandering op het vlak van het inwinnen en verzamelen van informatie uit het criminele milieu. Natuurlijk is de politie van oudsher al geïnteresseerd in dergelijke informatie, maar het inwinnen en verzamelen hiervan geschiedt veelal ongestructureerd. Een sprekend voorbeeld hiervan is de rechercheur die ingewonnen informatie (slechts) noteert in zijn zakboekje. Door de verandering in het criminaliteitsbeeld en de verdere professionalisering van de politie, wordt het wenselijk geacht één centraal punt te creëren waar inlichtingen over criminelen worden ingewonnen, verzameld en verwerkt.2 Dit om de politie een beter zicht te geven op het criminele milieu. Ook wel aangeduid als het door de politie verwerven van een betere informatiepositie.
De wens één centraal punt voor criminele inlichtingen te creëren, krijgt in de jaren zeventig handen en voeten door het instellen van Criminele Inlichtingendiensten bij meerdere (veelal grote) politiekorpsen. Een Criminele Inlichtingendienst (CID) vormt een aparte afdeling binnen de politie die zich bezig houdt met het verzamelen en inwinnen van informatie over criminelen en het criminele milieu. Zij voert deze taak uit door enerzijds informatie te genereren middels het onderhouden van contacten met informanten (het zogenaamde ‘runnen’ van informanten) en anderzijds door verkregen informatie te analyseren. Deze CID-informatie kan vervolgens worden uitgegeven aan de tactische recherche. De door de CID uitgegeven informatie, al dan niet in combinatie met reeds bestaande resultaten van tactisch onderzoek, kan voor de tactische recherche een reden zijn een opsporingsonderzoek te starten. Daarnaast kan deze informatie worden gebruikt in lopende opsporingsonderzoeken.
Er bestaat in die tijd geen eenvormige structuur van de CID, de taakstelling is niet eenduidig en controle en toezicht op de CID is niet geregeld. Eerst in 1986 komt de eerste CID-regeling tot stand bij beschikking van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken.3 Art. 2 van deze regeling bepaalt dat vanaf dat moment elk gemeentelijk politiekorps en de Rijkspolitie over een eigen CID dient te beschikken. In de regeling ligt de nadruk op de regionale samenwerking tussen de afdelingen CID uit de 148 gemeentelijke politiekorpsen en de Rijkspolitie, waarbij opvalt dat sterk wordt benadrukt dat onderling informatie (criminele inlichtingen genaamd) moet worden uitgewisseld. Deze regeling richt zich dan ook hoofdzakelijk op het verbeteren van de structuur voor de verzameling en verwerking van criminele inlichtingen.4 Om de informatie-uitwisseling te bevorderen, wordt de Begeleidingscommissie CID ingesteld. Aan de CID-regeling is een privacyreglement gekoppeld dat de opslag, verwerking en verstrekking van ingewonnen informatie regelt. De CID-regeling introduceert in art. 1 onder c met de zogenaamde CID-subjecten ook een nieuw begrip. CID-subjecten zijn natuurlijke en rechtspersonen ten aanzien waarvan op grond van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat zij als dader of medeplichtige betrokken zijn, of naar redelijkerwijs kan worden vermoed, zullen worden betrokken bij misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Deze formulering is veel ruimer dan het in art. 27 Sv neergelegde verdachte-begrip en kan worden gezien als een legitimering van de bestaande praktijk van proactief politieoptreden in de inlichtingenfase.5 De CID-regeling uit 1986 wordt in 1995, na totstandkoming van de Politiewet 1993, opgevolgd door de CIDregeling 1995.6 In dat jaar wordt ook de opvolger van de Begeleidingscommissie CID, de Raad van Advies voor de CID, ingesteld.7 Deze Raad dient de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken te adviseren omtrent aangelegenheden die betrekking hebben op de werkzaamheden van de CID.
De CID verkrijgt binnen de politieorganisatie snel een eigen status en ontwikkelt een eigen wijze van optreden. Over het algemeen gaat men innovatief en creatief te werk, vanuit de gedachte dat de georganiseerde criminaliteit op alle mogelijke manieren moet worden bestreden. Geheimhouding van informatiebronnen en gebezigde opsporingsmethoden staan voorop.8 Dat hierbij in sommige gevallen de grenzen van het toelaatbare worden overschreden en dat er een gebrek is aan controle op en normering van het werk van de CID, wordt pijnlijk zichtbaar in het eindrapport ‘Inzake Opsporing’Noord-Holland/Utrecht van de Commissie Van Traa.9