Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.3.2.5
6.3.2.5 Waardeverhouding en een ondeelbare verbintenis
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950338:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De medewerking aan de oplevering van een werk is voor wat betreft een opschortingsbevoegdheid in zekere zin ook deelbaar, omdat het werk kan worden aanvaard onder voorwaarden (zie bijv. Rb. Gelderland 14 september 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5250, r.o. 4.9).
Zie bijv. Rb. Noord-Holland 20 juli 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:6005, r.o. 5.14 (“[Gedaagde] komt enkel ter zake de klosjes en de raamsteunen een recht op opschorting toe. (…) het bedrag waarvan [gedaagde] de betaling opschort [moet] in verhouding (…) staan met de (omvang van de) wanprestatie (…). De hoogte van het (…) opgeschorte bedrag [€ 4.483,85] acht de kantonrechter disproportioneel. Gelet op de omvang van de tekortkoming is de kantonrechter van oordeel dat aan [eiser] een recht toekomt om in totaal een bedrag van € 300,00 van de factuur voor het binnenwerk op te schorten.”). Zie ook § 6.3.2.1 en § 6.3.2.2.
Hof Arnhem-Leeuwarden 7 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11265, r.o. 5.20.
Hof Arnhem-Leeuwarden 7 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11265, r.o. 5.21.
Hof Arnhem-Leeuwarden 7 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11265, r.o. 3.6.
Rb. Rotterdam 13 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5858, r.o. 4.9.
In het voorgaande gaat het over de doorgaans deelbare prestatie van de betaling van een geldbedrag.1 De schuldenaar is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot een waarde die evenredig is aan de waarde van zijn vordering (dat is dus niet noodzakelijkerwijs een gelijke waarde).2 Als de waarde van de verbintenis de waarde van de vordering overstijgt en die verbintenis een ondeelbare prestatie betreft, kan het opschortingsrecht niet of nauwelijks worden ‘gematigd’ en kan dit wegens onevenredigheid in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn. Ook die beoordeling is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de waardering van de wederzijdse verbintenissen. Zo oordeelde het hof dat de opschorting van de verplichting tot afgifte van wachtwoorden door de schuldenaar in verband met een vordering tot betaling van openstaande facturen van € 1.990,46, waardoor de schuldeiser stelde zijn ICT-systemen niet meer te kunnen gebruiken3 en schade ter hoogte van € 5.625,17 te hebben geleden, gerechtvaardigd was.
“Zelfs indien Gooiland gevolgd wordt in de door haar opgevoerde hoogte van de schade als gevolg van het niet leveren van de wachtwoorden (€ 5.625,17) geldt dat dit bedrag weliswaar hoger is dan de toewijsbaar geoordeelde vordering van Addall (€ 1.990,46), maar daarmee van een wanverhouding tussen die twee nog geen sprake is. Overigens valt uit de facturen niet meer te herleiden dan dat slechts een beperkt deel daarvan ziet op kosten als gevolg van het niet verstrekken van de wachtwoorden. Het euvel van het gemis van de wachtwoorden lijkt op kennelijk relatief eenvoudige wijze opgelost te zijn door de wachtwoorden te laten resetten tegen een bedrag niet (veel) hoger dan de vordering van Addall op Gooiland.”4
Het hof heeft de evenredigheid van het opschortingsverweer beoordeeld door de ondeelbare prestatie van het verschaffen van de wachtwoorden te waarderen op enerzijds het bedrag van de gestelde schade en anderzijds het bedrag van een wachtwoordenherstel door een derde partij (€ 822,805), waarbij tevens een rol heeft gespeeld dat de ICT-problematiek minder groot leek dan gesteld. Een ander voorbeeld betreft het geval waarin een hoeve de verplichting tot teruggave van twee bij haar gestalde paarden ter waarde van respectievelijk € 30.000 en nihil opschortte in verband met haar vordering tot betaling van in totaal € 25.312,62 aan stallings-, trainings- en verzorgingskosten. De rechtbank oordeelde dat ‘de waarde van de paarden de waarde van de vordering niet onevenredig [overtreft]’.6 Overigens is de verbintenis in zekere zin deelbaar en de rechtbank zou ook hebben kunnen oordelen dat het paard van geen of weinig waarde wel al teruggegeven diende te worden. Dat kon ook verder oplopende kosten helpen voorkomen. Niet blijkt dat dergelijke omstandigheden zijn gesteld.