Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.3.3.3
6.3.3.3 Opnieuw: is voorlichting ‘slechts’ de wet begrijpelijk uitleggen?
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661599:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
In de voorlichtende taak wordt de Belastingdienst gesteld voor keuzes van taalkundige aard (denk aan zinslengte, woordgebruik of type zinsconstructies), maar ook keuzes van juridische aard (denk aan het overnemen of juist elimineren van juridische begrippen, bepalen van hoofd- en bijzaken, selectie van juridisch relevante elementen). Daarnaast zijn er keuzes die zowel juridisch als taalkundig van aard zijn (bijvoorbeeld presentatiewijze, de hoeveelheid informatie en de structuur van de informatie). De aard en mate van de te maken keuzes zal ook afhangen van de wettekst waarop de voorlichting wordt gebaseerd. Zo zullen open normen en fiscale terminologie de Belastingdienst voor meer uitdagingen en keuzemogelijkheden stellen dan een tabel met bijvoorbeeld de IB-tarieven).
Scheltema 1997, p. 3.
De communicatieve inzichten werpen tevens een nieuw licht op hetgeen de Belastingdienst doet bij uitingen in het kader van zijn voorlichtende taak (paragraaf 4.6.2). In theorie werkt de veronderstelde afbakening tussen het ‘maken’ van inhoud en het ‘presenteren’ goed bij alledaagse voorbeelden van een tolk, woordvoerder of persvoorlichter. Het is evenwel minder scherp in het geval van de vertaling van complexe fiscale wetgeving, waarbij de Belastingdienst tevens te maken heeft met wetgeving waarin de boodschap van de wetgever niet altijd kristalhelder is (paragraaf 2.2.2, 4.6.2). In zulke gevallen neemt de Belastingdienst ook wel standpunten in of vaardigt hij beleidsregels uit (paragraaf 4.4, 4.5).
De juridische aanname is dat de Belastingdienst in voorlichting niets anders doet dan de wet in begrijpelijkere taal weergeven en daaraan geen andere betekenis geeft, maar dat kan in de praktijk niet onverkort worden volgehouden. Uit Deel I en II volgt immers dat de Belastingdienst bij de vertaling van de wet moet interpreteren en keuzes moet maken over de weergave (paragraaf 4.6.2, 5.4).1 De inzichten uit de communicatieve invalshoek kunnen laten zien dat de verantwoordelijkheid van de Belastingdienst voor zijn voorlichting verder kan strekken dan alleen ‘de manier waarop’ hij iets weergeeft. Materieel gezien kan immers ook sprake zijn van een interpretatief standpunt of een goedkeurende beleidsregel in een voorlichtingstekst, waaraan de Belastingdienst dan wel is gebonden (paragraaf 4.4, 4.6). Het achteraf ‘etiketteren’ van uitingen in voorlichting of bijvoorbeeld (interpretatief) beleid verhoudt zich dus niet goed met het burgerperspectief, waarin de burger erop rekent dat de Belastingdienst voor zijn uiting instaat. Bovendien is de rol van de Belastingdienst als zender maar niet-bron diffuus in situaties waarin de Belastingdienst niet zozeer voorlichting geeft over de wet, maar over de manier waarop de wet wordt uitgevoerd.2
Vanuit communicatief oogpunt speelt dergelijke afbakeningsproblematiek niet. Een zender is verantwoordelijk voor zijn uiting (inhoud, vorm of allebei) en mag zich daar daaraan niet zomaar onttrekken. Daarmee legt de confrontatie met het burgerperspectief bloot dat het niet is uit te leggen aan de burger als de zender in beginsel in het geheel niet verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn (onjuiste) uiting. Waarom mogen burgers niet gewoon afgaan op de informatie van de Belastingdienst?