Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/4.1
4.1 Inleiding
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258848:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 220.
Kamerstukken II 1994/95, 23909, nr. 3. Wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en terug– en invordering sociale zekerheid, Kamerstukken 1994/95, 23909). In het vervolg zal deze wet worden afgekort als Wet Boeten, omdat dat mijns inziens de belangrijkste wijziging van die wet kenmerkt: de invoering van een bestuurlijke boete in de sociale zekerheid.
Sancties zijn volumebeperkende instrumenten die het gedrag van de werkloze kunnen beïnvloeden. Het sanctiesysteem in de WW bestaat uit maatregelen en boeten (hoofdstuk 5). Indien de werkloze zich niet houdt aan de voorwaarden gericht op het vermijden van uitkeringsafhankelijkheid (verwijtbare werkloosheid – hoofdstuk 6) en op een actieve werkhervattingsopstelling tijdens het ontvangen van de uitkering (passende arbeid aanvaarden – hoofdstuk 7) dan wordt die werkloze middels een maatregel op grond van artikel 27 WW al dan niet tijdelijk, gedeeltelijk of geheel uitgesloten van de WW-uitkering.1
Met de Wet boeten, maatregelen en terug– en invordering sociale zekerheid (in het vervolg: Wet Boeten)2 werd het duale sanctiesysteem van maatregelen en boeten in 1996 ingevoerd. Het instrument van de maatregel werd vergaand gewijzigd en de ontwikkelingen hieromtrent hebben een invloed gehad op de rechtspositie van de WW’er. Om te begrijpen wat er precies veranderd is, zijn de twee belangrijkste periodes rondom de ontwikkelingen van de maatregel in dit hoofdstuk nader toegelicht. Het gaat hier om de periode na de invoering van de WW in 1987 tot de invoering van de Wet Boeten in 1996 (paragraaf 4.2) en de periode na de invoering van de Wet Boeten 1996 tot 2018 (paragraaf 4.4). Door bestudering van de Kamerstukken bij de Wet Boeten en de in de toelichting genoemde onderzoeksrapporten (paragraaf 4.3) ben ik nagegaan op welke wijze de maatregel is gewijzigd en of de aanpassing van dit instrument goed onderbouwd is door het kabinet. Ik heb ook de jurisprudentie van de CRvB over het evenredigheidsbeginsel bij het opleggen van een maatregel (paragraaf 4.5), commentaar vanuit de praktijk (paragraaf 4.6) en de evaluatie van de Wet Boeten door het kabinet (paragraaf 4.7) behandeld. Tot slot heb ik een conclusie geformuleerd ten aanzien van de rechtspositie van de WW’er bij de ontwikkelingen omtrent het instrument van de maatregel (paragraaf 4.8.1).