Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.14.2
I.3.14.2 Het voorstel-Halsema over toetsing van wetten aan de Grondwet
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285039:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 2004/05, 12, p. 643.
Handelingen I 2008/09, 11, p. 541-543.
Wet van 25 februari 2009, Stb. 2009, 120.
Besluit van 22 juni 2012, Stb. 2012, 287.
In het verkiezingsprogramma van GroenLinks van 2012 staat met één zin het voorstel om constitutionele toetsing in te voeren. Zie: https://groenlinks.nl/sites/default/files/Verkiezingsprogramma_GroenLinks_Groene_kansen_voor%20Nederland.pdf.pdf, zie pagina 10 (datum raadpleging: 1 juli 2021).
Overigens was het niet enkel de verantwoordelijkheid van GroenLinks om de behandeling in tweede lezing voortvarend ter hand te nemen. Breunese schrijft dat de Tweede Kamer zelf al meer vaart achter het voorstel had kunnen zetten. In art. 94 lid 3 RvOTK (oud, nu artikel 9:4 lid 3) staat namelijk dat de commissie een nader verslag kan uitbrengen, nadat er een nota n.a.v. het verslag van de initiatiefnemer is ontvangen. Het probleem was wel dat er geen Nota naar aanleiding van het verslag was. Breunese geeft wel aan dat het Reglement van Orde van de Tweede Kamer geen regels geeft over deze situatie. Hij schrijft dat de vaste commissie wel kon beslissen dat de voorbereiding voldoende is geweest voor de plenaire behandeling, zie: Breunese TvCR 2013/2, p. 161.
Handelingen II 2014/15, 60, item 11, p. 1-24.
Kamerstukken I 2009/10, 32123, VII, nr. B, p. 14. Overigens kon de Tweede Kamer de beslissing tot sluiting van de beraadslaging en stemming gewoon nemen (zie art. 68 en 69 RvOTK). De Tweede Kamer heeft aldus de mogelijkheid om aan de procedure een einde aan te maken door het voorstel in stemming te brengen.
Handelingen II 2016/17, 7, item 81, p. 13.
Handelingen II 2018/19, 10, item 8, p. 1.
In 2012 kwam de hierboven geschetste kwestie in volle omvang terug. Tien jaar eerder maakte het Tweede Kamerlid Halsema een wetsvoorstel aanhangig met het oogmerk om rechterlijke toetsing van wetten aan enkele klassieke grondrechten in de Grondwet mogelijk te maken.1 Op 14 oktober 2004 nam de Tweede Kamer het voorstel aan.2 De Eerste Kamer nam het voorstel pas ruim vier jaar later aan. Pas na de verkiezingen voor de Eerste Kamer van 29 mei 2007 nam de Eerste Kamer op 2 december 2008 het voorstel aan met een zéér krappe meerderheid (37-36).3 Na de verkiezingen was het totaal aantal zetels van de partijen die tegen het voorstel waren (CDA, VVD en SGP) samen net iets kleiner. Op 17 maart 2009 verscheen de verklaringswet in het Staatsblad.4
Na de verkiezingen van de Tweede Kamer op 9 juni 2010 publiceerde de Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, redelijk snel het verslag op 20 oktober 2010. Deze voortvarendheid stond in schril contrast met de vertraging in de procedure die vervolgens heeft plaatsgevonden. Overigens stopte Femke Halsema zelf in december 2010 met haar politieke activiteiten als Tweede Kamerlid. Sap (GL) nam het voorstel pas in juli 2012 van haar over.5 Een kleine twee jaar later was er weinig beweging onder de initiatiefnemers. In de Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vroeg Van der Staaij (SGP) op 11 april 2012 aan collega Grashoff (GL) wanneer volgende stappen te verwachten waren met betrekking tot het voorstel in tweede lezing. Woordvoerder van GroenLinks, Grashoff, gaf vervolgens onverbloemd aan dat de politieke verhoudingen niet gunstig waren voor GroenLinks ter realisering van de grondwetsherziening:
‘Dat is een heel goede vraag. Op dit moment is er echter, plat gezegd, geen meerderheid te vinden voor dit initiatief. Op het moment dat wij een serieuze discussie hierover zouden kunnen voeren, bijvoorbeeld naar aanleiding van het advies van de staatscommissie, en er zou weer reëel perspectief op steun zijn, dan zouden wij daar direct op inspelen. Ik daag de fracties dan ook uit om hierover iets te zeggen, want wij staan klaar voor een vervolgstap.’6
Tot zover was er eigenlijk nog niets aan de hand. Dat veranderde twee weken later nadat het kabinet-Rutte I viel vanwege mislukte besprekingen over bezuinigingen tussen de onderhandelaars van de VVD, CDA, en PVV. De regering nam het ontbindingsbesluit op 22 juni 2012 en bepaalde de datum van verkiezingen op 12 september 2012. Het ging hier om een politieke ontbinding. 7 Op 12 september 2012 vonden de verkiezingen voor de Tweede Kamer plaats.8 In de tussentijd hadden de leden van GroenLinks nog geen stappen ondernomen.9
Pas veel later kwam er weer wat beweging in de behandeling van het voorstel. De Nota naar aanleiding van het verslag werd gepubliceerd op 20 augustus 2014, een krappe vier jaar na het verslag.10 Op 5 maart 2015 behandelde de Tweede Kamer in tweede lezing het voorstel plenair in de eerste termijn. Een gekwalificeerde meerderheid leek op basis van deze behandeling nauwelijks haalbaar.11 Daarna volgde weer een lange radiostilte zelfs tot aan de verkiezingen van 15 maart 2017. Bij de behandeling van een voorstel over het opnemen van een algemene bepaling in de Grondwet in mei 2017 dienden de leden Van der Staaij en Van Raak een motie in om te verklaren dat een verdere behandeling van het voorstel over toetsing van wetten aan de Grondwet ongrondwettig zou zijn.12 De indieners van deze motie baseerden zich hierbij op een kabinetsnotitie van 2009 (ondertekend door minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), waarin stond dat de Tweede Kamer de behandeling van een voorstel in tweede lezing voortvarend in behandeling moest nemen.13 De Tweede Kamer vroeg op basis van artikel 21a Wet op de Raad van State om een voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State. Verdere behandeling van deze motie werd aangehouden tot de voorlichting van de Raad van State.14 De Afdeling advisering van de Raad van State stelde in september 2018 dat de Tweede Kamer het voorstel als vervallen moest verklaren.15 De Tweede Kamer verklaarde het voorstel op 9 oktober 2018 daadwerkelijk als vervallen.16 In het hoofdstuk 5, par. 7 ga ik uitgebreider in op deze kwestie. Dan bespreek ik in hoeverre de bovenstaande gang van zaken in tweede lezing problematisch is.