Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/5.2.6
5.2.6 Het Pfändungspfandrecht
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS389503:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Westermann-Gursky-Eickmann 2011, p. 655, Baur-Stürner 2009, p. 207, Wilhelm 2016, p. 314 en Staudinger/Kutter § 879 Rn 5.
Opgemerkt zij dat de regeling inzake het zusammentreffen mehrerer Nutzungsrechte van § 1024 BGB aldus moet worden begrepen dat conflicten tussen meerdere genotsrechten op dezelfde zaak alleen worden opgelost door middel van een Regelung der Ausübung indien de gerechtigden gelijke rang innemen omdat zij dat overeenkomstig § 879 lid 3 BGB zijn overeengekomen.
De ZVG geeft regels van procesrecht ten aanzien van de executie van onroerende zaken en is daarmee een lex specialis van de Zivilprozessordnung (ZPO). Zie § 869 ZPO waarin voor de executieregels ten aanzien van onroerende zaken naar de ZVG wordt verwezen.
De aard van het Pfändungspfandrecht is omstreden. Naar de heersende opvatting is het recht niet zuiver privaatrechtelijk noch zuiver publiekrechtelijk, maar gemischt privatöffentlichrechtlich van aard. Het Pfändungspfandrecht wordt zoveel mogelijk in het privaatrechtelijke kader van het pandrecht gepast. Alleen voor zover het doel en het systeem van het executierecht dat eisen, geeft het procesrecht een afwijkende regeling. Zie hierover Baur-Stürner-Bruns 2006, p. 345 en MünchKommZPO/Schilken § 804 Rn 5 en 6.
De uitzonderingen op de in art. 3:277 BW neergelegde hoofdregel van gelijkheid van schuldeisers zijn ingevolge het bepaalde in art. 3:278 BW beperkt tot de wettelijke redenen van voorrang. De gelijke rang houdt in dat noch het moment waarop de vordering is ontstaan noch het moment waarop de schuldeiser beslag legt voorrang geeft. Zie Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/6.
Hoogstens als er nog andere bestanddelen in het vermogen van de schuldenaar aanwezig zijn waarop de andere schuldeisers zich kunnen verhalen, leidt deze voorrangspositie tot een verdedigbaar resultaat dat recht doet aan het gelijkheidsbeginsel. Zie voor kritiek in dezelfde zin Berger, ZZP 2008, p. 410.
Häsemeyer 2003, p. 35. Daarnaast beargumenteert Berger dat met het prioriteitsbeginsel in het Einzelzwangsvollstreckungsrecht het procesrecht en het privaatrecht met elkaar in overeenstemming zijn nu de beslaglegger krachtens privaatrecht een aan de prioriteitsregel onderhevig absoluut werkend recht toekomt. Zie Berger, ZZP 2008, p. 411-412.
In de literatuur worden beide begrippen gehanteerd, zie Zöller/Stöber § 804 Rn 5 en Baur-Stürner-Bruns 2006, p. 349.
Belang toekennen aan de anciënniteit van de vordering zou overigens evenmin een goed idee zijn en staat eveneens haaks op het beginsel van gelijkheid van schuldeisers. Alleen indien beslag geen invloed zou hebben op de verhaalsmogelijkheden van andere concurrente schuldeisers wordt recht gedaan aan het beginsel van de paritas creditorum.
De praktische betekenis van § 879 BGB is met name gelegen in de context van de Zwangsvollstreckung (executieverkoop).1 De vraag naar de rangorde wordt immers eerst acuut zodra een schuldeiser overgaat tot executie waardoor een van de op de te executeren zaak gevestigde rechten wordt gefrustreerd. § 11 Zwangsversteigerungsgesetz (ZVG) bepaalt dat de rangorde beslissend is voor de volgorde waarin de schuldeisers worden voldaan. De vraag of een genotsrecht na een executie in stand blijft, is eveneens afhankelijk van zijn plaats in de rangorde.2 Het is in het bijzonder van belang om bij deze procedurele kant stil te staan omdat de Zivilprozessordnung (ZPO) de grondslag biedt voor het zogenoemde Pfändungspfandrecht.3 Een schuldeiser die executoriaal beslag legt, verkrijgt daardoor van rechtswege een pandrecht op het beslagen goed.4
Dit beslagpandrecht dat zonder medewerking van de eigenaar van het goed tot stand komt, wordt ingevolge § 804 lid 2 ZPO gelijkgesteld aan een conventioneel pandrecht in de zin van het BGB. De regels met betrekking tot de rangorde tussen pandrechten zijn daarmee eveneens van toepassing op het Pfändungspfandrecht. Alle verschillende pandrechten – conventionele, legale en beslagpandrechten – nemen derhalve onderling rang in naar hun totstandkomingsmoment.5
Met het leggen van beslag verwerft de schuldeiser een goederenrechtelijk zekerheidsrecht, waarmee hij voorrang verkrijgt boven andere concurrente schuldeisers. Anders dan naar Nederlands recht schept beslag door het toekennen van een Pfändungspfandrecht preferentie.6 Bovendien worden andere concurrente schuldeisers als zij eveneens overgaan tot het leggen van beslag – en daarmee op hun beurt een goederenrechtelijk zekerheidsrecht verkrijgen – bij de eerste beslaglegger achtergesteld omdat pandhouders rang innemen volgens de prioriteitsregel.
Beslagleggers in het algemeen – en de eerste beslaglegger in het bijzonder – verkeren ten opzichte van de overige schuldeisers in een gunstigere positie die niet valt te rijmen met het beginsel van de paritas creditorum. De gelijkheid van schuldeisers wordt ondermijnd door het feit dat er een rangorde tussen schuldeisers wordt vastgesteld – en daarmee de volgorde waarin de schuldeisers worden voldaan – op basis van het moment waarop een schuldeiser de executie inzet. Niet valt in te zien waarom een schuldeiser die de solvabiliteit van zijn schuldenaar nauwlettend in de gaten houdt en derhalve eerder overgaat tot beslaglegging een versterkte positie inneemt ten opzichte van andere concurrente schuldeisers.7 Men bedenke dat in een grensoverschrijdende financieringspraktijk schuldeisers zich onmogelijk dagelijks van de financiële gezondheid van hun schuldenaar kunnen vergewissen. Vanuit dit oogpunt heeft het toekennen van voorrang aan de beslag-leggende concurrente schuldeiser een zekere willekeur in zich. De rangorderegeling van § 804 lid 3 ZPO wordt in de literatuur wel gelegitimeerd met het argument dat het prioriteitsprincipe eenvoudig hanteerbaar is en duidelijkheid schept.8
Om begripsverwarring te voorkomen heeft het de voorkeur om de prioriteitsgedachte die in de onderlinge verhouding tussen concurrente schuldeisers in die zin naar voren komt dat degene die het eerst de executieprocedure inzet ook het sterkste recht heeft, niet met het prioriteitsprincipe maar met het Präventionsprinzip aan te duiden.9 Met een Pfändungspfandrecht voorkomt een schuldeiser immers dat anderen ook aanspraak op de zaak kunnen maken. De anciënniteit van de rechten speelt tot het moment van beslaglegging geen rol.10 In de verhouding tot pandhouders kan het Prioritätsprinzip wel worden aangewend omdat de rangorde tussen pandrechten wordt vastgesteld naar het moment waarop de goederenrechtelijke zekerheidsrechten tot stand zijn gekomen.