Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.3.2.1
6.3.2.1 Inleidende opmerkingen
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS461980:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ingevolge art. 152 lid 1 Rv kan bewijs worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. Art. 152 lid 2 bepaalt dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt.
De verzoekschriftprocedure is geregeld in de Derde titel uit Boek 1 Rv (art. 261-291 Rv). In deze titel is geen bepaling opgenomen waarin art. 236 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op beschikkingen.
Beukers 1994, p. 5.
Vergelijk: Asser (Rechtsvordering), art. 67 (oud) Rv, aant. 3; Numann (Rechtsvordering), art. 236 Rv, aant. 4.
Zie voor een aantal standpunten: Beukers 1994, paragraaf 3.5.3 (p. 57-63); Gras 1994, p. 16-17 en 197-198; Asser (Rechtsvordering), art. 67 (oud) Rv, aant. 5; Hugenholtz/Heemskerk 1998, nr. 116 (onder 20). Vergelijk ook Boekman 1996, par. 9.3.
Ingevolge art. 177 (oud) – thans art. 150 Rv – draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, daarvan de bewijslast; art. 178 (oud) – thans art. 151 Rv – bepaalt dat dwingend bewijs inhoudt dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen ofwel de bewijskracht ervan te erkennen (lid 1). Tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, staat echter vrij (lid 2); art. 192 (oud) – thans art. 166 Rv – verplicht de rechter gevolg te geven aan een deugdelijk aanbod van getuigenbewijs; ingevolge art. 194 (oud) – thans art. 168 Rv – kan een contra-enquête tot het leveren van tegenbewijs niet worden geweigerd.
Gras 1994, p. 25, 198 en 234.
HR 30 oktober 1998, NJ 1999, 83, r.o. 3.3.
HR 10 september 1999, RvdW 1999, 124, r.o. 3.3.
HR 18 september 1992, NJ 1992, 747, r.o. 3.3, laatste alinea: ‘Onderdeel C5 gaat klaarblijkelijk ervan uit dat slechts een beroep op het gezag van gewijsde kan worden gedaan indien in de procedure welke is geëindigd met de uitspraak waarvan het gezag van gewijsde wordt ingeroepen, hetzelfde is gevorderd als in de volgende procedure tussen partijen. Dit uitgangspunt is onjuist: voldoende is dat tussen partijen dezelfde rechtsbetrekking in geschil is, ongeacht welke vorderingen uit hoofde van die rechtsbetrekking geldend worden gemaakt.’
Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580. De derde titel is in werking getreden op 1 januari 2002, Stb. 2001, 621.
195. Ingevolge art. 236 lid 1 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Hieraan is in lid 3 toegevoegd dat het gezag van gewijsde niet ambtshalve mag worden toegepast.1 Uit zowel de tekst van art. 236 Rv als uit de afdeling waarin het artikel is opgenomen – Boek 1 Rv, Titel 2, Twaalfde afdeling (Het vonnis)2 – blijkt dat het alleen voor vonnissen geldt en niet voor beschikkingen gegeven in een verzoekschriftprocedure.3 Het gezag van gewijsde vormt een uitwerking van het adagium ‘Lites finiri oportet’ (vrij vertaald: aan het geschil behoort eens een einde te komen). Beukers merkt hierover op: ‘Indien het leerstuk gezag van gewijsde geen deel zou uitmaken van ons recht, zou een partij keer op keer hetzelfde geschilpunt aanhangig kunnen maken in de hoop dat een voor haar ongunstige beslissing door een volgende rechter zal worden weersproken. Een voor haar gunstige beslissing zou echter door de wederpartij opnieuw ter discussie kunnen worden gesteld. Procederen zou dus zinloos zijn. Er zou geen enkele zekerheid mee kunnen worden gewonnen. Ook voor het functioneren van de rechterlijke macht is het gezag van gewijsde een conditio sine qua non. Zaken moeten definitief kunnen worden afgehandeld. De dossiers op het bureau behoren steeds nieuwe geschilpunten te betreffen.’4 Zoals reeds uiteen is gezet in het vorige tekstnummer, dienen het gezag van gewijsde en de eventuele bewijskracht van uitspraken van elkaar te worden gescheiden. Gezag van gewijsde betreft de binding van geschilbeslissingen en heeft met de bewijskracht van een rechterlijke uitspraak niets van doen. Art. 236 Rv is daarom ook niet geregeld in de afdeling over bewijs.5
196. In het midden de jaren’90 van de vorige eeuw is in de literatuur gediscussieerd over de vraag of art. 67 (oud) Rv eveneens (naar analogie) van toepassing kan worden verklaard op beschikkingen in verzoekschriftprocedures (doorgaans aangeduid als ‘oneigenlijke rechtspraak’).6 Reden voor de verdeeldheid was dat de verzoekschriftprocedure met minder procesrechtelijke waarborgen was omgeven dan de dagvaardingsprocedure. Met name het gemis aan een aantal bewijsregels – in het bijzonder de artikelen 177, 178 (met name lid 2), 192 en 194 Rv (deze bepalingen zijn in 2001 vernummerd7) – maakte dat sommigen, onder wie Gras8, meenden dat in beschikkingen vervatte beslissingen veelal geen gezag van gewijsde konden hebben.
Eind jaren’90 heeft de Hoge Raad twee uitspraken gedaan waaruit blijkt dat hij van oordeel is dat in beschikkingen vervatte beslissingen onder omstandigheden wel gezag van gewijsde kunnen hebben. In zijn beschikking van 30 oktober 1998 overweegt hij dat ‘hoewel art. 67 Rv is geschreven voor vonnissen, [het] zich leent voor analogische toepassing op beschikkingen op verzoekschrift, waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil tussen partij- en.’9 Ook in de uitspraak van 10 september 1999 beslist ons hoogste rechtscollege – onder verwijzing naar zijn beschikking van 30 oktober 1998 – dat art. 67 Rv, hoewel geschreven voor vonnissen, zich leent voor analogische toepassing op beschikkingen waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil tussen partijen. Vermeldenswaard is nog dat uit dit arrest volgt dat beslissingen in beschikkingen ook bindende kracht kunnen hebben in een latere dagvaardingsprocedure.10 De consequentie hiervan is logischerwijs dat het niet van belang is dat aan beide opvolgende gedingen verschillende vorderingen en/of verzoeken ten grondslag liggen, hetgeen overigens in 1992 ook al door ons hoogste rechtscollege is uitgemaakt.11
Aan het voorgaande kan nog worden toegevoegd dat ‘de kloof’ tussen de dagvaardingsprocedure en de verzoekschriftprocedure is verkleind met de inwerkingtreding op 1 januari 2002 van de nieuwe Derde Titel in Rv (De verzoekschriftprocedure in eerste aanleg).12 Ingevolge art. 284 uit deze titel is de negende afdeling van de tweede titel (Bewijs) – waaronder de art. 150, 151, 166 en 168 Rv (vergelijk noot 96) – van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Met de nieuwe titel is de facto overigens geen grote wijziging doorgevoerd, zo blijkt uit de toelichting op art. 3.4.7 Rv (art. 284 Rv). Daarin wordt opgemerkt dat het inmiddels min of meer vaste praktijk is dat de bewijsregels naar analogie worden toegepast in met name contentieuze verzoekschriftprocedures: ‘Ook het zoveel mogelijk analogisch toepassen van de algemene bepalingen van bewijsrecht en van de bepalingen ten aanzien van schriftelijk bewijs ligt voor de hand. Er is thans geen goede reden aanwezig om bepaalde bewijsrechtelijke voorschriften nog uitdrukkelijk van overeenkomstige toepasselijkheid op de verzoekschriftprocedure uit te zonderen.’13