Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/15.1.2.2
15.1.2.2 Koppeling aan een goed of aan hoedanigheid van rechthebbende?
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301699:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Asser/Sieburgh 2018, para. 541, waar in twee opeenvolgende zinnen wordt opgemerkt: “Het recht komt toe aan de schuldeiser in zijn ‘ kwaliteit’ van rechthebbende, bijvoorbeeld eigenaar van een onroerende zaak. Indien die zaak van rechthebbende verwisselt, volgt het recht de zaak” (mijn cursivering).
In deze zin bijvoorbeeld impliciet Valk in Hijma e.a. 2016, para. 309 en Beversluis, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:251 BW aant. 4.1 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018), die beiden de samenloop tussen kwalitatieve rechten en afhankelijke of nevenrechten bespreken.
Zie in deze zin Beversluis, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:251 BW aant. 4.1 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018).
Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 50; Stein, Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:7 BW, aant. 7.7 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018); Beversluis, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:251 BW, aant. 1 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018).
Stein, Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:7 BW, aant. 7.7 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018).
Een uitzondering – in ieder geval voor wat betreft het onderscheiden tussen beide opvattingen – vormt Stein, Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:7 BW, aant. 7.7 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018), die opmerkt dat kwalitatieve rechten geen afhankelijke rechten kunnen zijn, omdat ze niet verbonden zijn aan een ander recht, maar aan de hoedanigheid van rechthebbende. Een uitleg geeft hij daar niet voor. Onder het oude recht stelde van der Ploeg 1962, p. 229: “Of men zegt, dat het recht aan de eigenaar als zodanig is verbonden, dan wel dat men formuleert, dat het recht met de overgang van rechtswege overgaat, komt op hetzelfde neer”.
Zie de vindplaatsen genoemd in voetnoot 5 van dit hoofdstuk.
De term ‘kwalitatieve rechten’ wordt gebruikt door Meijers in zijn toelichting; zie Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 927. In latere parlementaire stukken wordt de term niet gebruikt door de wetgever, maar simpelweg gesproken over ‘het artikel’ dat uiteindelijk art. 6:251 BW is geworden.
666. In de literatuur wordt de vraag naar waar een kwalitatief recht nu precies aan is gekoppeld – zonder dat men dat overigens door lijkt te heb ben – op twee verschillende manieren beantwoord.1 De eerste interpretatie van art. 6:251 BW is dat een kwalitatief recht is verbonden aan een goed en mee overgaat als dat goed onder bijzondere titel overgaat.2 Daarmee lijkt de regeling voor kwalitatieve rechten op die van de afhankelijke rechten en nevenrechten, omdat ook in die gevallen een recht aan een ander recht wordt gekoppeld. Dat zou ervoor zorgen dat er een samenloopregeling nodig is om de gevolgen van deze regelingen te coördineren.3 Ook zou voor veel vraagstukken kunnen worden aangesloten bij hetgeen ik in hoofdstuk 14 besprak over afhankelijke rechten. Zo zou bijvoorbeeld de vraag of kwa litatieve rechten kunnen worden uitgeoefend door derden langs dezelfde lijnen kunnen worden beantwoord, omdat kwalitatieve rechten op dezelfde manier aan een recht verbonden zouden zijn als afhankelijke rechten (zie paragraaf 14.4).
667. De tweede interpretatie is dat het artikel bewerkstelligt dat een kwalitatief recht verbonden is aan de hoedanigheid van rechthebbende van een goed en daardoor toekomt aan degene die die hoedanigheid verkrijgt.4 In dat geval sluiten de regeling voor de kwalitatieve rechten en die voor de afhankelijke en nevenrechten elkaar uit; een recht kan immers niet tegelijkertijd verbonden zijn aan een ander recht én aan de hoedanigheid van de rechthebbende.5 Dat betekent dat er geen samenloopregeling nodig is. Ook betekent dit dat niet zonder meer kan worden aangesloten bij de regeling voor afhankelijke rechten voor het bepalen van de rechtsgevolgen van het aanmerken van een recht als ‘kwalitatief’. Zo is er bijvoorbeeld een ander mechanisme nodig om te bepalen of derden gebruik kunnen maken van een kwalitatief recht. Een op het ‘hoofdrecht’ gevestigd beperkt recht strekt zich namelijk wel uit over de van dat hoofdrecht afhankelijke rechten, maar niet over de hoedanigheid van rechthebbende.
668. In de literatuur wordt niet tussen beide opvattingen onderscheiden.6 Er worden dus ook geen argumenten gegeven om te onderbouwen welke van beide opvattingen juist is. De tekst van art. 6:251 BW neigt licht naar het koppelen van een kwalitatief recht aan de hoedanigheid van rechthebbende van een goed, omdat het kwalitatieve recht overgaat ‘op degene die dat goed onder bijzondere titel verkrijgt’. Deze opvatting lijkt in de lite ratuur de overhand te hebben.7
669. Ik ga ervan uit dat de wetgever inderdaad bedoeld heeft om kwalitatieve rechten te verbinden aan de hoedanigheid van rechthebbende van een specifiek goed. Deze opvatting sluit het best aan bij de term ‘kwalitatieve rechten’, omdat wordt aangesloten bij de ‘kwaliteit’ van rechthebbende van een goed.8 Ik werk daarom de rest van dit hoofdstuk uit onder de ver onderstelling dat bedoeld is om kwalitatieve rechten te verbinden aan de hoedanigheid van rechthebbende van een specifiek goed. Dat heeft ook een praktische reden. Het mechanisme waarbij een recht wordt gekoppeld aan de hoedanigheid van rechthebbende is doorgaans lastiger toe te passen op de in dit hoofdstuk besproken vraagstukken dan het mechanisme waarbij twee rechten aan elkaar worden gekoppeld. Dat laatste mechanisme heb ik al uitgewerkt voor de afhankelijke rechten in hoofdstuk 14. Zou men van mening zijn dat kwalitatieve rechten zijn gekoppeld aan een goed in plaats van aan de hoedanigheid van rechthebbende, dan kan hetgeen ik in dat hoofdstuk heb opgemerkt over de gevolgen van het aanmerken van een recht als afhankelijk, grotendeels overeenkomstig op de kwalitatieve rechten worden toegepast.