Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/2.2.3
2.2.3 Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf (1986)
1
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950490:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 18 december 1985, houdende vervanging van de wet op het schadeverzekeringsbedrijf (Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf) (Staatsblad 1985, 705), in werking getreden door koninklijk besluit van 21 december 1985 (Staatsblad 1985, 710).
Eerste Richtlijn van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (73/239/EEG) (PbEU 1973, L 228/3).
Eerste Richtlijn van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (79/267/EEG) (PbEU 1979, L 63/1).
Boshuizen 1998, p. 88.
Kamerstukken II 1978/79, 15612, nr. 3, p. 2 (MvT).
Dat wil zeggen: de verkrijger.
Kort besproken door Borgesius, Het Verzekerings-Archief 1981, p. 305-308.
Sleutelaar 1927, p. 125-126.
Kamerstukken II 1978/79, 15612, nr. 3, p. 11 (MvT).
Kamerstukken II 1983/84, 15612, nr. 8, p. 30 (MvA).
Op 1 januari 1986, ongeveer twintig jaar later dus, werd voor korte tijd een nieuwe wet voor het schadeverzekeringsbedrijf van kracht, de Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf. Deze wet beoogde de Eerste schaderichtlijn2 te implementeren. Doel van de Europese richtlijn was om bepaalde verschillen die op het gebied van toezicht bestonden tussen de nationale wetgevingen af te schaffen “ter vergemakkelijking van de toegang tot en de uitoefening van deze verzekeringsbranches”. Deze Europese richtlijn bevatte wel een artikel over de portefeuilleoverdracht, maar de essentie daarvan was eigenlijk alleen maar (i) dat er in elke lidstaat een wettelijke regeling met betrekking tot de portefeuilleoverdracht moest zijn en (ii) dat de betrokken toezichthoudende autoriteiten onderling overleg moesten plegen alvorens de overdracht goed te keuren. De Europese wetgever vond het blijkbaar niet nodig “vormvoorschriften” in de lidstaten te uniformeren. Het bleef de Nederlandse wetgever vrij staan een voorschrift zoals het opzegrecht onderdeel te laten zijn van de nationale regeling van de portefeuilleoverdracht. Het belangrijkste verschil tussen de oude Wet op het schadeverzekeringsbedrijf en de nieuwe Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf was dan ook de toevoeging van een artikellid over overleg met de toezichthoudende autoriteit in een andere lidstaat in geval van een overdracht van een portefeuille door of aan een verzekeraar met zetel in een andere lidstaat dan Nederland.
Met de eerste generatie Europese verzekeringsrichtlijnen (de Eerste schaderichtlijn en de Eerste levenrichtlijn3) werd beantwoord aan de in het EG-Verdrag voorgeschreven vrijheid van vestiging. Die vrijheid van vestiging hield voor verzekeraars in dat zij zich vanuit hun vestiging in een bepaalde lidstaat zonder onnodige belemmeringen via het openen van bijkantoren in een of meer andere lidstaten moesten kunnen vestigen. Het bijkantoor moest echter nog wel een vergunning aanvragen bij de toezichthouder op wiens grondgebied hij zich wilde vestigen. De richtlijnen voorzagen in een stelsel van vergunningverlening door de afzonderlijke toezichthouders van de lidstaten na goedkeuring van een nauwkeurig omschreven programma van werkzaamheden.4 De aanpassing van de Nederlandse wetgeving had op 1 februari 19765 in werking moeten treden. De termijn werd uiteindelijk met maar liefst tien jaar overschreden.
Art. 21 van de Eerste schaderichtlijn bevatte een regeling die de lidstaten veel ruimte liet eigen “vormvoorschriften” te stellen bij een overdracht van een schadeverzekeringsportefeuille.
“1. Elke Lid-Staat staat de toegelaten ondernemingen toe hun verzekeringsportefeuille geheel of gedeeltelijk over te dragen indien de cessionaris,6 mede gelet op de overdracht, de vereiste solvabiliteitsmarge bezit. De betrokken toezichthoudende autoriteiten plegen onderling overleg alvorens deze overdracht goed te keuren.
2. Zodra de bevoegde toezichthoudende autoriteit deze overdracht heeft toegestaan, kan zij rechtens aan de betrokken verzekeringsnemers worden tegengeworpen.”
De nieuwe artikelen 51 tot en met 53 van de Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf7 weken daarom nauwelijks af van de oude artikelen 39 tot en met 41 van de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf. Het belangrijkste verschil was zoals gezegd dat er onder omstandigheden overleg nodig was met de toezichthoudende autoriteit in een andere lidstaat.
“HOOFDSTUK IV Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf
Artikel 51
1. Bij schriftelijke overeenkomst en met schriftelijke toestemming van de Verzekeringskamer kan een verzekeraar zonder toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens overeenkomsten van schadeverzekering aan een andere verzekeraar overdragen. Deze overdracht kan betrekking hebben op alle of een deel van de overeenkomsten van schadeverzekering.
2. Met overdracht van alle rechten en verplichtingen uit of krachtens overeenkomsten van schadeverzekering wordt gelijkgesteld de overgang van deze rechten en verplichtingen bij fusie. De artikelen 52 en 53, eerste, vierde en vijfde lid, zijn op deze overgang van overeenkomstige toepassing.
Artikel 52
1. Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Verzekeringskamer tot overdracht van rechten en verplichtingen gaat vergezeld van een ontwerp-overeenkomst met alle ter toelichting dienende stukken. De verzekeraar verstrekt tevens de door de Verzekeringskamer verlangde aanvullende gegevens.
2. De Verzekeringskamer pleegt met betrekking tot een overdracht door of aan een verzekeraar met zetel in een andere Lid-Staat dan Nederland overleg met de toezichthoudende autoriteit van die Lid-Staat alsook met de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat waar de verzekeraar eveneens een vergunning bezit, indien de vestiging van de verzekeraar in deze Lid-Staat bij de overdracht is betrokken. De Verzekeringskamer pleegt, zo zij zulks nodig oordeelt, tevens overleg met de toezichthoudende autoriteiten van andere Lid-Staten waar de verzekeraar een vergunning bezit.
3. De Verzekeringskamer deelt zo spoedig mogelijk haar beslissing schriftelijk aan de verzekeraar mee. Een afwijzende beslissing wordt met redenen omkleed.
Artikel 53
1. Indien met toestemming van de Verzekeringskamer overdracht van rechten en verplichtingen heeft plaatsgevonden, maakt de verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen heeft overgedragen, de overdracht bekend in de Nederlandse Staatscourant en op andere wijze, door de Verzekeringskamer te bepalen in het belang van diegenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen. De inhoud van deze bekendmakingen behoeft de voorafgaande goedkeuring van de Verzekeringskamer.
2. De overdracht wordt ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht met ingang van de dag, volgende op die van dagtekening van de Nederlandse Staatscourant waarin de bekendmaking is geplaatst.
3. Indien een verzekeringnemer die lid is van een onderlinge waarborgmaatschappij, ingevolge de overdracht geen overeenkomst van schadeverzekering meer bij deze verzekeraar heeft lopen, eindigt zijn lidmaatschap van rechtswege met ingang van de dag, volgende op die van de dagtekening van de Nederlandse Staatscourant waarin de bekendmaking is geplaatst.
4. De bij een overdracht betrokken verzekeringnemers zijn gedurende negentig dagen na dagtekening van de Nederlandse Staatscourant waarin de bekendmaking is geplaatst, bevoegd de overeenkomst van schadeverzekering schriftelijk op te zeggen met ingang van de eenennegentigste dag na die dagtekening. De verzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op de hiervoorbedoelde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn waarvoor de premie werd betaald.
5. Indien bij de overdracht het lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij is verkregen, eindigt dit lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor een tekort eveneens met ingang van de eenennegentigste dag na de dagtekening van de Nederlandse Staatscourant van rechtswege.”
Zoals gezegd leefde in Nederland al onder de Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923 de opvatting dat de toezichthouder bij de beoordeling van de overdracht niet alleen moest letten op de belangen van de verzekerden die zullen overgaan, maar ook op “die, welke bij de overdragende maatschappij achterblijven, en op die, welke tijdens de overdracht reeds bij de overnemende maatschappij verzekerd waren”.8 En als gezegd was destijds ook expliciet in de parlementaire geschiedenis van de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf opgenomen dat de Verzekeringskamer op meer moest letten dan alleen op de solvabiliteit. In dat kader was men niet gelukkig met de tekst van art. 21 lid 1 van de Eerste schaderichtlijn. Het wetsontwerp week daarom op dat punt af van de richtlijn. Er werd niet bepaald “zoals in artikel 21, eerste lid van de richtlijn zou kunnen worden gelezen”9 dat de enige voorwaarde die gold voor het verkrijgen van toestemming van de Verzekeringskamer tot overdracht van rechten en verplichtingen is, dat de overnemende verzekeraar, mede gelet op de overdracht, over de vereiste solvabiliteitsmarge beschikt. Kamerleden zetten vraagtekens bij het afwijken van de richtlijn, maar na ruggespraak in Brussel met andere lidstaten bleef de insteek dat art. 21 lid 1 van de Eerste schaderichtlijn niet werd overgenomen.
“Toegegeven moet worden dat de redactie van deze bepaling de indruk wekt dat een uitputtende voorwaarde wordt gesteld. In de besprekingen die na het tot stand komen van de vestigingsrichtlijnen voor het schade- en het levensverzekeringsbedrijf in Brussel hebben plaatsgevonden is evenwel gebleken dat alle lid-staten van oordeel zijn dat deze bepaling weliswaar de belangen van de verzekerden wier overeenkomsten overgaan, beschermt, doch dat buiten twijfel staat dat een overdracht van rechten en verplichtingen evenzeer moet worden getoetst aan het criterium dat deze overdracht evenmin afbreuk mag doen aan de belangen van de overblijvende verzekerden van de cederende verzekeraar. De met de toezichtwetgeving beoogde bescherming van de belangen van alle verzekerden legt op de toezichthoudende autoriteiten de verplichting een portefeuille-overdracht te toetsen aan de gevolgen daarvan voor het bedrijf van zowel de cederende verzekeraar als de cessionaris.”10
en
“Ter aanvulling op de opmerking in de memorie van antwoord dat bij de besprekingen in Brussel is gebleken dat alle lid-staten van oordeel zijn dat het buiten twijfel staat dat een overdracht van rechten en verplichtingen evenzeer moet worden getoetst aan het criterium dat deze overdracht geen afbreuk mag doen aan de belangen van de overblijvende verzekerden van de cederende verzekeraar, kan nog worden opgemerkt dat inmiddels in het kader van de besprekingen over het ontwerp voor de tweede coördinatierichtlijn schadeverzekering mede wordt overwogen een artikel op te nemen, waardoor artikel 21 van de eerste coördinatierichtlijn schadeverzekering in bovenbedoelde zin wordt verduidelijkt.”11