Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/8.7.5.1
8.7.5.1 Vorderingen onder tijdsbepaling of voorwaarde
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186812:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 7.3.4.2.
Zie overweging 25 van het Voorstel Richtlijn Preventieve Herstructurering.
Zo ook Tollenaar 2017c, p. 64. Hieraan kan worden tegengeworpen dat die bepalingen zijn bedoeld voor verhaal en het akkoord dat niet is, maar dat geldt ook voor de surseance terwijl de bepalingen voor erkenning in een surseance gelijk zijn aan die voor faillissement.
Zie par. 5.5.4.5, 7.3.4.3, 7.3.4.4 en 8.6.2, Tollenaar 2016, p. 113 en over een scheme of arrangement: O’Dea, Long & Smyth 2012, p. 141, Pilkington 2013, p. 77 en Primacom Holdings GmbH v Credit Agricole [2011] EWHC 3746 (Ch), [2013] B.C.C. 201.
Zie par. 7.3.4.4.
589. Vorderingen waaraan op het eerste gezicht een oneigenlijke achterstelling is verbonden kunnen onder een pre-insolventieakkoord op twee verschillende manieren worden behandeld, net als in faillissement.1 De oneigenlijke achterstelling is reden om te onderzoeken of partijen niet hebben bedoeld dat de vordering ook eigenlijk achtergesteld is. In dat geval moet de vordering in een faillissement worden erkend als een eigenlijk achtergestelde vordering. Het ligt voor de hand die vorderingen bij een pre-insolventieakkoord op dezelfde wijze te behandelen.
Het is ook mogelijk dat de partijen niet hebben bedoeld om ook een eigenlijke achterstelling overeen te komen. Dan moet een vordering die is achtergesteld met een tijdsbepaling of voorwaarde bij het akkoord net zo worden behandeld als andere vorderingen onder tijdsbepaling of opschortende voorwaarde.
Het Voorontwerp WHOA voorziet niet in bepalingen over de erkenning van vorderingen onder tijdsbepaling of voorwaarde, terwijl het Voorstel Richtlijn Preventieve Herstructurering dat overlaat aan het nationale recht.2 Bij gebreke aan een dergelijke regeling ligt het voor de hand om de regels toe te passen die gelden voor de erkenning van vorderingen in faillissement, een rangregeling buiten faillissement of surseance.3 In dat geval kunnen vorderingen onder opschortende tijdsbepaling of voorwaarde bij het akkoord worden behandeld voor hun contante waarde en voor dat bedrag meestemmen in de klasse van concurrente schuldeisers.4 Die bepalingen laten ook de mogelijkheid open om voorwaardelijke vorderingen te erkennen voor het volledige bedrag met behoud van voorwaarde.5 Dat pakt ongelukkig uit bij vorderingen waarbij de voorwaarde als achterstelling dient, omdat de vervulling daarvan afhankelijk is van het verloop van het faillissement of akkoord.6