De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/8.2.2:8.2.2 Stelplicht en bewijslast
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/8.2.2
8.2.2 Stelplicht en bewijslast
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS383868:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G Huydecoper bij HR 20 juni 2008, RdvW 2008, 657.
Zie bijvoorbeeld Hof s-Hertogenbosch 28 januari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:178.
Conclusie A-G Huydecoper bij HR 20 juni 2008, RdvW 2008, 657.
Vetter 2007, p. 41.
Hagens 2011, p. 182.
Zie ook Rb. Rotterdam 20 november 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:10377.
Zie paragraaf 6.4 voor de problematiek omtrent de bescherming van schuldeisers.
Rb. Midden-Nederland 11 juni 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:4479.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer een schuldeiser de vereffening wil heropenen omdat achteraf van een bate is gebleken of ten onrechte tot turboliquidatie is overgegaan, gelden de reguliere bewijsregels niet. Onder de reguliere bewijsregels versta ik hier het bepaalde in artikel 150 Rv:
‘De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.’
Toepassing van artikel 150 Rv zou er toe leiden dat een schuldeiser – die heropening van de vereffening wenst, na de toepassing van een turboliquidatie, omdat volgens hem nog baten binnen de BV bestaan – dient te stellen welke specifieke baten er nog bestaan en bovendien aan zou moeten tonen dat de bedoelde baten bestaan. Wanneer dit het geval was, zou de weg naar misbruik van turboliquidaties door (frauduleuze) bestuurders wel erg makkelijk begaanbaar zijn.1
Wanneer het de herleving van een turbogeliquideerde BV door middel van de heropening van de vereffening ex artikel 2:23c lid 1 BW betreft, gelden afwijkende bewijsregels. De rechter zal in een voorkomend geval de opvatting van het bestuur – dat ten tijde van ontbinding geen baten meer bestonden – kritisch moeten bejegenen.
Dit kan er enerzijds toe leiden dat extra eisen aan de stelplicht van het bestuur van de turbogeliquideerde BV worden verbonden,2 of dat van het bestuur wordt verlangd de juistheid van zijn bewering nader te onderbouwen of aan te tonen. Anderzijds kan dit ook betekenen dat slechts geringe aanwijzingen voor het bestaan van baten als voldoende voor heropening van de vereffening worden aangemerkt. Deze afwijkende bewijsregels worden ook ingegeven door het feit dat het bestuur van de BV beter en eenvoudiger toegang heeft tot de relevante gegevens dan de schuldeisers.3 Schuldeisers hebben bijvoorbeeld niet de mogelijkheid om de administratie van de BV te raadplegen, nu deze niet behoren tot de kring van belanghebbenden aan wie die bevoegdheid tot raadpleging is toebedeeld ingevolge artikel 2:24 lid 4 BW.4 Een andere beperking hierbij is dat er over het laatste verkorte boekjaar van een turbogeliquideerde BV geen jaarrekening behoeft te worden opgemaakt.5 Hierdoor hebben schuldeisers geen zicht op hun verhaalsmogelijkheden.6 Men zou kunnen stellen dat deze afwijkende bewijsregels de belangen van de schuldeisers beter beschermen.7 Feit blijft dat het aan de schuldeisers is om een bate aan te tonen – en ook al wordt het bestaan daarvan terughoudend getoetst – zonder inzage in de administratie en zicht op de laatste jaarrekening komt het mij voor dat zelfs het aantonen van een potentiële bate niet eenvoudig is voor schuldeisers. Bovendien is bijvoorbeeld de rechtbank Midden- Nederland van mening dat sprake dient te zijn van een reële bate, waardoor de schuldeisers in een moeilijkere bewijspositie komen te verkeren.8