Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.3.0
4.3.0 Introductie
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264381:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
De Groot, Inleydinge, nr. 2.38.7-8; Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.8.2-5; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.38.7-8. In gelijke zin: Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 13.7.5.
Van Wassenaer 1661, nr. 14.57. In gelijke zin Van den Bergh, Nederlands Advys-boek, nr. 1.36.
Van den Bergh, Nederlands Advys-boek, nr. 1.36.
De aard van het Rooms-Hollandse eigendomsrecht is te vinden in Van der Walt 1992, p. 483 e.v., in het bijzonder p. 506-509.
Van den Bergh, Nederlands Advys-boek, nr. 1.36.
Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 345; Van Hoof 2015, p. 88.
Anders: Schrassert, Consultatien III, p. 724-726.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 13.7.5; Van der Keessel, Theses selectae, nr. 3.8.7.
Van der Keessel, Theses selectae, nr. 3.8.6.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.6.4. Vgl. Groenewegen van der Made 1669, p. 55 (ad Just.Inst. 4,1,7).
Groenewegen van der Made 1669, p. 721-722 (ad C. 9,1) en 753-754 (ad C. 9,47); Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 4.38.3; De Groot, Inleydinge, nr. 3.32.5-7; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 47.2.1; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.32.5-7.
De pandgebruiker was naar Rooms-Hollands recht bevoegd om het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Onder vruchten vielen alle baten die uit het onderpand ontstonden.1 Hij mocht gebruikmaken van alle genotsbevoegdheden die aan het eigendomsrecht waren verbonden. Zo mocht de pandgebruiker rechten uitoefenen die afhankelijk waren van het verpande eigendomsrecht, zoals een recht van erfdienstbaarheid.2 Van Wassenaer vergeleek de genotsbevoegdheden van de pandgebruiker dan ook met die van een vruchtgebruiker.3
Tegenover de genotsbevoegdheden die de pandgebruiker had, stond dat de pandgebruiker ook werd onderworpen aan iedere verplichting die betrekking had op het onderpand. Zodoende trad de pandhouder voor de duur van het pandrecht in de rechten en verplichtingen van de eigenaar.4
De pandgebruiker werd dus onderworpen aan de verplichtingen die betrekking hadden op het onderpand en werd bevoegd de genotsbevoegdheden die uit het eigendomsrecht voortvloeiden, uit te oefenen.5 In het Rooms-Gelderse recht werd de pandgebruiker voor zijn verplichtingen en genotsrechten daarom wel gelijkgesteld aan een eigenaar, of tenminste aan een vruchtgebruiker:
“dat mede een verwinhebber moribus nostrae patriae is als proprietarius, of immers in deezen als lyftochter”6
Als het recht van pandgebruik onderdeel was van het pandrecht was evenwel geen sprake van een zekerheidsoverdracht, maar van een beperkt recht.7 Dit vindt steun in het feit dat alle Rooms-Hollandse auteurs die ik in dit hoofdstuk aanhaal, het recht van pandgebruik behandelden als onderdeel van het pandrecht of als een zelfstandig beperkt recht.8
Bij beschadiging of misbruik van het onderpand was de pandgebruiker aansprakelijk met de actio pigneraticia directa. Voet en Van der Keessel noemden het voorbeeld van een pandhouder die een recht van erfdienstbaarheid door non usus teniet liet gaan dat was gevestigd ten behoeve van een aan hem verpand stuk grond.9 Daarnaast sprak Van der Keessel van een pandhouder die verpande dieren niet voerde.10 Ingeval de pandhouder het onderpand op ernstige wijze misbruikte, ging zelfs het pandrecht teniet.11 Anders dan het in Romeinse recht kon de pandhouder naar Rooms-Hollands recht vermoedelijk niet aansprakelijk zijn met de – privaatrechtelijke – actio furti als hij buiten de grenzen van het recht van pandgebruik trad. Misbruik van het onderpand kwalificeerde in het Romeinse recht als furtum usus. In §4.2.5 heb ik aan de hand van de toen geldende opvattingen mijn twijfel uitgesproken over de kwestie of het delict furtum usus naar Rooms-Hollands recht nog wel bestond. Gesteld dat dit al het geval was, dan was de vervolging van diefstal voorbehouden aan het staatsgezag. Het vervolgen van diefstal langs privaatrechtelijke weg via de actio furti was dus afgeschaft.12