Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/6.2
6.2 Afbakening ten opzichte van het eenvoudig eigendomsvoorbehoud
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400828:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388. Zie ook Serick 1976, p. 56-57, BGB-RGRK/Mezger 1978, § 455 BGB, Rn. 16, Braun 1980, p. 43 en Soergel/Henssler 2002, Anh. zu § 929 BGB, Rn. 99. Vgl. UCC Official Comment, § 9-103, nr. 3: ‘[T]he definition of “purchase-money obligation,” the “price” of collateral or the “value given to enable” includes obligations for expenses incurred in connection with acquiring rights in the collateral, sales taxes, duties, finance charges, interest, freight charges, costs of storage in transit, demurrage, administrative charges, expenses of collection and enforcement, attorney’s fees, and other similar obligations.’ Zie over problemen die vóór de herziening van de UCC in 2000, waarbij deze toelichting is geïntroduceerd, waren gerezen G.T. McLaughlin, ‘“Add On” Clauses In Equipment Purchase Money Financing: Too Much Of A Good Thing’, Fordham Law Review 1981, p. 661-706.
Rühl 1930, p. 79, voetnoot 4 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 26. In die richting ook OGH 20 februari 1980, zaaknr. 6Ob760/79. Vgl. ook Braun 1980, p. 43-44.
Het voorbeeld is ontleend aan Fikkers 1993, p. 309 en de aanvulling van Salomons 1993, p. 310-311.
Vgl. Fikkers 1993, p. 309-310.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 484, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 36 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 26-27.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 484.
Zie over de achtergrond van deze regel hiervoor in hoofdstuk 3, paragraaf 3.5.1.2.
Salomons 1993, p. 310, voetnoot 1. Ook onder het oude recht leek men in een dergelijk geval aan te nemen dat de verkoper het geheel kon reclameren, tegen teruggave van de reeds ontvangen koopsom. Zie o.m. Van Raalte 1886, p. 114, E.M. Meijers, ‘De uitbanning der kooplieden en der handelsdaden uit ons recht’, WPNR 1935, p. 14, H.F.A. Völlmar, Het Nederlands handelsrecht, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1953, p. 347, Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 42 en Dorhout Mees 1979, p. 4.
Strikt genomen is van een verbreed eigendomsvoorbehoud sprake, zodra de eigendomsovergang afhankelijk wordt gemaakt van de voldoening van andere vorderingen dan de directe tegenprestatie. Een dergelijke verbreding is op grond van artikel 3:92 lid 2 BW slechts in beperkte mate toegestaan, namelijk ter zake van vorderingen betreffende de tegenprestatie voor door de vervreemder aan de verkrijger krachtens overeenkomst geleverde of te leveren zaken of krachtens een zodanige overeenkomst tevens ten behoeve van de verkrijger verrichte of te verrichten werkzaamheden, alsmede ter zake van de vorderingen wegens tekortschieten in de nakoming van zodanige overeenkomsten. Toch is soms slechts ogenschijnlijk sprake van een verbreed eigendomsvoorbehoud, omdat in werkelijkheid een eenvoudig eigendomsvoorbehoud is bedongen.
In de eerste plaats geldt namelijk dat het begrip ‘tegenprestatie’ niet al te strikt moet worden geïnterpreteerd. Het gaat daarbij niet alleen om de koopprijs, maar ook om daaraan verwante en soms inbegrepen kosten, zoals kosten van levering, verschuldigde belastingen en de schadevergoedingsvordering wegens te late betaling.1 Vergelijkbaars geldt voor installatie- of montagekosten, die strikt genomen leiden tot een verbreding van het eigendomsvoorbehoud, maar soms als bij de koopprijs inbegrepen beschouwd kunnen worden.2 Dat geldt niet voor werkzaamheden waarbij geen temporele samenhang bestaat met de aanschaf van de zaak, zoals onderhoudswerkzaamheden. Dergelijke werkzaamheden kunnen niet als bij de koopprijs inbegrepen worden beschouwd en daarop betrekking hebbende vorderingen zijn afzonderlijke vorderingen, zodat in een dergelijk geval wel sprake is van een verbreed eigendomsvoorbehoud.Vgl. Braun 1980, p. 44.
Daarnaast geldt dat het onderscheid tussen een eenvoudig en verbreed eigendomsvoorbehoud dikwijls zal afhangen van de uitleg van de koopovereenkomst, zoals in het geval dat een koper een wasmachine en een koelkast gelijktijdig aanschaft. Uitleg zal dan moeten uitwijzen of partijen beoogd hebben dat de koper van beide zaken pas eigenaar wordt als de koopprijs voor beide zaken is betaald, of dat de eigendom uitsluitend wordt voorbehouden voor de voldoening van de koopprijs van de desbetreffende zaak.3 In het laatste geval is sprake van een eenvoudig eigendomsvoorbehoud, terwijl in het eerste geval sprake is van een verbreding van het eigendomsvoorbehoud.
Soms is op het eerste gezicht sprake van een verbreed eigendomsvoorbehoud, maar blijkt het bij nadere beschouwing te gaan om een eenvoudig eigendomsvoorbehoud. Kenmerkend aan het verbreed eigendomsvoorbehoud is namelijk dat partijen een wederkerigheidsband in het leven roepen ten aanzien van prestaties die gewoonlijk niet tegenover elkaar staan. De verplichting tot voldoening van een vordering uit de ene overeenkomst staat gewoonlijk niet tegenover de verplichting tot eigendomsverschaffing uit een andere overeenkomst. Soms is door partijen echter geen ruimere wederkerigheidsband gecreëerd teneinde te bewerkstelligen dat de verkoper zijn verplichtingen ook kan opschorten totdat de koper andere vorderingen voldoet, maar hebben partijen daadwerkelijk voor ogen dat een wederkerigheidsrelatie ontstaat tussen bepaalde prestatieplichten. In een zodanig geval is sprake van een eenvoudig eigendomsvoorbehoud.
Een voorbeeld kan dat verduidelijken. Indien een verkoper twee paarden ruilt tegen twee koeien en daarbij een eigendomsvoorbehoud bedingt, kan het problematisch zijn als het eigendomsvoorbehoud de strekking zou hebben dat de verkoper slechts één paard zou kunnen terugvorderen, indien de koper hem slechts één koe levert. Het kan ongewenst zijn dat de verkoper dan opgescheept zit met een paard en een koe, bijvoorbeeld in het geval dat hij zijn paardenfokkerij heeft opgegeven om een koeienfokkerij te beginnen.4 De overeenkomst heeft in een dergelijk geval een alles-of-niets-karakter.5 Vergelijkbaars kan zich voordoen bij de koop van twee zaken, die slechts gezamenlijk nuttig kunnen worden gebruikt. Koper noch verkoper heeft er dan belang bij dat een scheiding zou worden gerealiseerd door uitoefening van het eigendomsvoorbehoud. De verplichting tot betaling van de koopprijs van beide zaken staat dan tegenover de verplichting tot eigendomsverschaffing van beide zaken. Illustratief is dat ook het Oostenrijkse recht het eigendomsvoorbehoud bij dergelijke overeenkomsten toelaatbaar acht, ondanks het feit dat het verbreed eigendomsvoorbehoud in Oostenrijk niet toelaatbaar is.6 Terecht merkt Bydlinski ten aanzien van die gevallen op dat sprake is van een toelaatbaar eenvoudig eigendomsvoorbehoud, omdat ‘es von den Parteien durchaus ernstlich gewollt und auch sachgerecht [ist], das Synallagma zwischen der Gesamtheit der Sachen und dem Gesamtkaufpreis zu begründen.’7
De vergelijking met de uitoefening van het recht van reclame dringt zich bij dit soort gevallen op. In beginsel kan de verkoper slechts dat deel van het geleverde terugvorderen dat onbetaald is gebleven (art. 7:39 lid 2 BW).8 Indien het afgeleverde niet voor een zodanige verdeling vatbaar is, kan de verkoper het geheel terugvorderen tegen teruggave van het aanbetaalde (art. 7:39 lid 3 BW). Door Salomons is terecht bepleit dat men in situaties zoals hiervoor omschreven, het criterium ‘voor verdeling vatbaar’ subjectief dient uit te leggen, om tot bevredigende resultaten te komen en die recht doen aan de strekking van de overeenkomst.9