Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/4.9
4.9 Toegang tot rechter en anti-discriminatiebeginsel
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS374614:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 51, aant. 1. Deze zeer gunstige regel heeft tot gevolg dat niet van belang is of de verzoeker in de lidstaat van herkomst van de beslissing woonplaats heeft. De bij een weigering van het exequatur in de rechts-middelprocedure ontstane kosten kunnen dan niet verhaald worden op de oorspronkelijke verzoeker, indien hij woonachtig is in een land waarmee geen rechtsvorderingsovereenkomst is gesloten.
Richtlijn 2003/8/EG van de Raad tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen, Pb EG L 26 van 31 januari 2003, p. 41 (gerectificeerd in Pb EG L 32 van 7 februari 2003, p. 16). Zie nader over de richtlijn: M. Freudenthal, 'Europese richtlijn betreffende rechtsbijstand bij grensoverschrijdende geschillen', Rechtshulp nr. 12, december 2003, p. 17-22.
Voor Nederland zal de implementatie een wijziging van de Wet op de rechtsbijstand(Stb. 1993, 775, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 december 2003, Stb. 2003, 502) tot gevolg hebben. Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 712.
Voorstel voor een Richtlijn van de Raad tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende zaken, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand en andere financiële aspecten van civiele procedures, COM (2002) 13 def. Zie ook Pb EG C 103 E van 30 april 2002, p. 368.
Vgl. art. 2 van de richtlijn.
Op het moment van de inwerkingtreding van de EEX-Verordening bestond in de Europese Unie geen uniforme regeling betreffende de kosten van de toegang tot de rechter. Evenmin kende men een algemene regeling betreffende de verlening van rechtsbijstand binnen de Europese Unie. Derhalve bepaalt art. 50 EEX-Vo dat indien de verzoeker in aanmerking kwam voor een kosteloze rechtsbijstand in de lidstaat van herkomst van de ten uitvoer te leggen beslissing, hij tevens in aanmerking komt voor de meest gunstige rechtsbijstand dan wel vrijstelling van kosten in de lidstaat van tenuitvoerlegging.
Art. 51 EEX-Vo is een uitwerking van het anti-discriminatiebeginsel. Ingevolge deze bepaling mag aan de exequaturverlening op een beslissing van een rechter van een lidstaat geen cautio iudicatum solvi worden verbonden. Het afschaffen van de zekerheidstelling is geen novum. Reeds het EEX-Verdrag kende een dergelijke begunstigende regeling; dit omdat niet alle betrokken verdragsstaten partij waren bij de Haagse verdragen omtrent dit onderwerp.1
Inmiddels is op 31 januari 2003 de Richtlijn betreffende de toegang tot de rechter in grensoverschrijdende gevallen in werking getreden.2 De richtlijn dient ingevolge art. 21 uiterlijk op 30 november 2004 in de nationale wetgevingen van de lidstaten te worden geïmplementeerd.3 De richtlijn is slechts van toepassing in grensoverschrijdende gevallen. Ingevolge art. 2 is sprake van een dergelijke situatie indien de verzoeker om rechtsbijstand zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft dan in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld dan wel waar de beslissing ten uitvoer wordt gelegd. Op basis van art. 10 is de richtlijn eveneens van toepassing op de toekenning van rechtsbijstand in buitengerechtelijke procedures indien partijen bij de wet verplicht worden daarvan gebruik te maken dan wel indien partijen door een rechter naar een dergelijke procedure worden verwezen. Art. 9 van de richtlijn bepaalt dat de begunstigde gehele of gedeeltelijke rechtsbijstand tot dekking van de kosten van tenuitvoerlegging van de beslissing zowel in de lidstaat van herkomst van de beslissing alsook in de lidstaat van tenuitvoerlegging blijft genieten. In de lidstaat van tenuitvoerlegging heeft de begunstigde aanspraak op de rechtsbijstand, mits hij ook bij de behandeling van de zaak in een andere lidstaat rechtsbijstand heeft genoten.
Wat de rechtsbijstand bij de tenuitvoerlegging van een beslissing in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst van de beslissing betreft, werd in art. 7 van het Richtlijnvoorstel4 verwezen naar art. 50 EEX-Vo. Art. 9 van de richtlijn is - wat het materiële toepassingsgebied van de regeling betreft - ruimer, omdat het niet slechts beperkt is tot het verlenen van de rechtsbijstand bij de tenuitvoerlegging van de beslissingen die onder de EEX-regeling vallen. De richtlijn is van toepassing op burgerlijke en handelszaken, zonder een uitzondering van bijvoorbeeld het personen- en familierecht.
Door de inwerkingtreding van de richtlijn zou de vraag kunnen rijzen of art. 50 EEX-Vo niet overbodig is. De toepasselijkheid van art. 50 EEX-Vo is mijns inziens in een bepaald opzicht ruimer dan die van art. 9 jo. art. 2 van de richtlijn. De richtlijn biedt slechts de mogelijkheid tot een rechtsbijstandsverlening aan een partij die woonplaats of gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft.5 Art. 50 EEX-Vo stelt voor de verlening van de rechtsbijstand in de lidstaat van tenuitvoerlegging slechts het vereiste dat de partij die in die lidstaat om rechtsbijstand verzoekt, in de lidstaat van herkomst van de ten uitvoer te leggen beslissing tevens in aanmerking voor de rechtsbijstandsverlening kwam. Dit betekent dat indien een partij die niet in een lidstaat woonplaats heeft, maar in de procedure in een lidstaat wel rechtsbijstand heeft genoten, in de exequaturprocedure op basis van art. 50 EEX-Vo rechtsbijstand kan verzoeken. Zij kan echter geen rechtsbijstand krachtens de richtlijn vragen.