Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.2.1
2.2.2.1 Staatsburgerschap: nationaal, Europees en mondiaal
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977223:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 9 augustus 1919, Stb. 1919, nr. 536.
Grondwet 1922 (29 december 1922, Stb. 1922, nr. 665); J. van der Giessen, De opkomst van het woord democratie als leuze in Nederland, Den Haag: Van Stockum 1948, p. 63 e.v.
P.C. Kop, Mens en burger. Een geschiedenis van de grondrechten, Zutphen: Walburg 2009, p. 20-21, vgl. F. van Wieringen, ‘Wat regeert ons leerplan?’, in: Van Tongeren & Pasman-de Roo 2007, p. 28-29, G. Groot, ’Tussen vlag, fiets en paraplu: de burger als verlichter en romanticus’, CDV Winter 2017, p. 65, Aerts 2018, p. 303 en H. Tjeenk Willink, Groter denken, kleiner doen. Een oproep, Amsterdam: Prometheus 2019, p. 55-56 (Citoyenneté).
Vgl. I. de Haan, ’Burgerschap, sociale stratificatie en politieke uitsluiting in de negentiende eeuw’, in: Kloek & Tilmans, 2002, p. 233, voor burgerschapsconcepten: G-R. de Groot, ‘De toekomst van het Nederlanderschap’, in: Donner e.a. 1994, p. 25-71, R. Aerts, ’De erenaam van burger: geschiedenis van een teloorgang’, in: Kloek & Tilmans 2002, p. 324-333, Hendriks 2006, p. 103, Kop 2009, p. 20-21 en T. Eijsbouts, ’De verhouding tussen de Unie haar burgers en haar staten onder het prisma van het Europese recht’, in: Van den Brink 2011.
Vermeulen 2007, p. 1-2; I.C. van der Vlies, ‘Vooraf: De canon van het burgerschap’, NJB 2005, 13, p. 677.
Vgl. I. Kant, ’Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?’, Berlinische Monatsschrift, Dezember 1784 (Verlichting is uittreden van de mens uit de onmondigheid).
Vgl. W. Schmale & N.L. Dodde (red.), Revolution des Wissens? Europa und seine Schulen im Zeitalter der Aufklärung (1750-1825), 1991 en B.P. Vermeulen, ’De historische betekenis van het liberale denken’, in: Musschenga & Jacobs (red.) 1992, p. 91-97.
Vgl. W. Velema, ’Republikeinse democratie. De politieke wereld van de Bataafse Revolutie 1795-1798’, in: F. Grijzenhout e.a.(red.) 2013, p. 31, 45, 52, 56-57, 61-63 en M. Neuteboom, ‘Postliberalisme en christendemocratie’, in: Overeem & Ten Napel 2021, p. 162.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, 2009/C364/01 (art. 20-25 VWEU); vgl. E.M.H. Hirsch Ballin, ´Grensoverschrijdend burgerschap´, in: Van den Brink e.a. (red.) 2011, p. 21-26; vgl. Halman e.a. 2005.
Vgl. G.J. Kleinjan, ‘Onderwijs moet internationaler. Het kabinet moet scholen verplichten internationale lessen aan te bieden’, Trouw 31 januari 2019, p. 9 en De Waal 2019, p. 11-20.
R. Dahrendorf, ´Burgerschap: het nieuwe vraagstuk´, De Volkskrant 4 november 1988, E. van Laer 2017, B. Bakker, Onbegrepen Europa, Atlas Contact 2017 en L. Visser & I. de Groot, ’De wereld in de klas’, M & P 2022, 07, p. 16-17.
M. van den Berge, ’Jong in Europa’, M & P 2019, 02, p. 22-23, V. de Geus, ‘Jongeren leren hier echt heel veel van’, M & P 2019, 02, p. 24-25 en W. Blankert, ‘Jeugd moet Europa in’, M & P 2022, 07, p. 26.
De regering rekent het voorbereiden van leerlingen op Unie- en wereldburgerschap niet tot de algemene doelbepaling (Kamerstukken II 2019/20, 35352, nr. 6); E.M.H. Hirsch Ballin, ´Grensoverschrijdend burgerschap´, in: Van den Brink e.a. (red.) 2011, p. 21-27.
Verdrag van Maastricht, Trb. 1992, 74; Hirsch Ballin 2011, p. 22 en Leune 1992.
J.W. Sap, Europese burgerschapsvorming in het onderwijs, in: M. Laemers (red.) 2017, p. 137.
P. Boeles, ’Het nut van nationaliteit’, NJB 2007, 42, p. 2666-2671; Ten Berge, p. 22.
Anders dan het maatschappelijk burgerschap is het politiek of staatburgerschap gerelateerd aan het uitoefenen van rechten en het nakomen van plichten van burgers in hun relatie met de centrale overheid.1 Dit rechten- en plichtenarsenaal heeft zijn voltooiing gevonden met de burgeremancipatie die haar beslag kreeg in 1917 met de invoering van het algemeen mannenkiesrecht en in 1919 met het algemeen vrouwenkiesrecht door de Wet-Marchant,2 gevolgd door de codificatie in de Grondwet van 1922.3
Verlichting: bourgeois en citoyen
De vraag rijst welke betekenis we kunnen geven aan burgerschap in een plurale samenleving en democratische rechtsstaat en welke verwachtingen we hieraan ontlenen. Zijn de noties ‘burger’ (bourgeois) en ‘staatsburger’ (citoyen)4 uit de tijd van de achttiende eeuwse Verlichting en de in par. 2.2.5 te bespreken Franse Revolutie (1789) nog relevant?5 Kunnen we in deze noties de basis terugvinden van de latere ‘doorontwikkeling’ tot maatschappelijk en politiek burgerschap in onze neoliberale samenleving, evenals de ontluikende sociale ontwikkeling van het burgerschap, d.w.z. het vermogen van de burger tot betrokken deelname aan de sociaalculturele en politieke omgeving?6
Descartes: cogito ergo sum
De Verlichting (Aufklärung), de Eeuw van de rede, samenvallend met de achttiende eeuw, vormt een reactie op het dogmatisch autoriteitsgeloof en richt haar kritiek op het (achterlijk) geloof en de onredelijkheid. De oervader van de Verlichting, Descartes, stelt de rede en het intellectualisme voorop (Cogito ergo sum, ‘ik denk, dus ik ben’). Het gaat in de Verlichting om het zoeken naar kennis en samenlevingsvormen, met rechtvaardigheid, democratie en mensenrechten als idealen. Het Verlichtingsadagium ‘Sapere aude’ staat voor ‘durf je van je eigen verstand te bedienen’.7 De burger als citoyen én bourgeois ontwaakt en ontwikkelt zich tot zelfstandig participant in de staatkundige samenleving.8 In de Bataafse Republiek (1795-1806) zien we eenzelfde ontwikkeling van de ontbolstering van de vaderlandslievende burgerij.9
Staatsburgerschap: Nederlander en Unieburger
Het Nederlands staatsburgerschap is verankerd in de Grondwet en uitgewerkt in de Rijkswet op het Nederlanderschap.10 In het EU-Handvest 2009 is het grensoverschrijdende Unieburgerschap gecodificeerd.11 Het staatsburgerschap en het Unieburgerschap vormen het formele burgerschap. Het zijn vormen van de hoedanigheid van (staats)burger als drager van rechten en plichten in overheidsverband.12 Deze hoedanigheid staat voor juridische aanspraken die alle (supra)nationale leden van een maatschappij onderhouden en verbinden.13 Deze juridische aanspraken gelden op nationaal, Europees,14 en mondiaal niveau.15 Zo is het Unieburgerschap verankerd in het Verdrag van Maastricht (1992).16 In het gevoels- en streefleven van EU-burgers vormt dit burgerschap ook een materiële dimensie, waar de Europeaan het streven naar een verenigd Europa voorstaat, afwijst of clausuleert.17
In het vormgeven van materieel burgerschap staan de relaties tussen burgers, bedrijven en instellingen voorop, terwijl staatsburgerschap verbonden is met formele overheidsrelaties, politiek-staatkundige verbanden en verhoudingen.18