Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/10.3.4
10.3.4 Analoge toepassing
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491138:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Aanvankelijk was de bepaling opgenomen in afdeling 4.2 (‘Legaten’, ontwerpbepaling 4.4.2.5). Het derde lid ontbrak toen nog. Het derde lid is toegevoegd bij de verplaatsing naar afdeling 4.1 (ontwerpbepaling 4.3.1.10b).
Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 295. Zie ook: Parl. Gesch BW Boek 4, p. 300-302; Asser/Perrick 4 2021/213; Handboek Erfrecht 2020/VII.2.15, VII.3.7; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/263. De tenzij-formule van art. 4:50 lid 3 BW kan niet analoog worden toegepast op de testamentaire last, omdat een last niet verworpen kan worden (Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 300-302).
Een last die aan de executeur is opgelegd rust mede op de gezamenlijke erfgenamen, tenzij uit haar aard of uit de uiterste wilsbeschikking iets anders voortvloeit.
Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 811; Asser/Perrick 4 2021/200; Handboek Erfrecht 2020/IX.3.9. Vgl. Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/292.
Vgl. HR 11 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0680 (Caspers/Rijpma); Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 591; Asser/Perrick 4 2021/753.
Kamerstukken II 2013/14, 33987, nr. 6, p. 15-16; De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019/IIIa.10.
Vgl. HR 11 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0680(Caspers/Rijpma); Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 591; Asser/Perrick 4 2021/753; Steneker 2005, p. 105-106; Meijers 1948, p. 193-194.
Spoor, Verkade & Visser 2019/7.9. Vgl. Geerts & Verschuur 2018/586, 592, 677.
Spoor, Verkade & Visser 2019/7.1, 7.10-7.20; Geerts & Verschuur 2018/586-592, 677.
Spoor, Verkade & Visser 2019/7.1, 7.4; Geerts & Verschuur 2018/591, 677.
Anders dan wel wordt betoogd voor de verpandbaarheid van vorderingen, brengt de onoverdraagbaarheid van persoonlijkheidsrechten mee dat deze ook niet bezwaard kunnen worden met beperkte rechten. Argument voor de opvatting dat een onoverdraagbare vordering wel kan worden verpand, is dat executie van een verpande vordering kan geschieden door inning (art. 3:246 BW), waarvoor geen overdracht nodig is. Bij andere goederen geschiedt executie door verkoop (art. 3:248 BW), waarvoor overdracht wel is vereist. Zie daarover: Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/754; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/507; Asser/Van Mierlo & Krzemi/ski 3-VI 2020/25, 106, 196; Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a) 2012/51.
Vgl. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/63-64; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/5; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/27, 31; Van der Steur 2003, p. 138-140, 143-145.
112. Art. 4:50 BW is opgenomen in afdeling 4.1 van Boek 4. Die afdeling draagt het opschrift ‘Uiterste wilsbeschikkingen in het algemeen’.1 De bepaling is volgens de parlementaire geschiedenis in die afdeling opgenomen, omdat zij analoog toegepast kan worden op andere uiterste wilsbeschikkingen, en met name op de testamentaire last:
“Deze regels zijn inderdaad voornamelijk van belang voor legaten, te meer nu – zoals hierna bij titel 4.4 onder het opschrift Algemeen wordt uiteengezet – in het gewijzigd ontwerp het begrip legaat is uitgebreid. Dat neemt echter niet weg dat deze regels in aanmerking kunnen komen voor analogische toepassing op andere uiterste wilsbeschikkingen, met name op lasten; men denke aan een last op de erfgenamen om een goed der nalatenschap voor een bepaalde bestemming te besteden.”2
De erflater kan bijvoorbeeld iemand tot enig erfgenaam benoemen, onder de last een tot de nalatenschap behorend beperkt recht te schenken aan een goed doel. Bij een testamentaire last verkrijgt de erfgenaam of legataris zijn recht onder de ontbindende voorwaarde dat het wegens niet-uitvoering van de last door de rechter vervallen wordt verklaard (art. 4:131 lid 1 BW). Geen vermenging treedt op als iemand onvoorwaardelijk is gerechtigd tot een moederrecht en voorwaardelijk tot een beperkt recht, of andersom (zie hoofdstuk 7). Daarom gaan beperkte rechten niet door vermenging teniet als een testamentaire last is gemaakt. Het is niet nodig art. 4:50 lid 3 BW analoog toe te passen. De bepaling kan wel analoog toegepast worden, als een last is opgelegd aan een executeur, en de last niet tevens rust op de erfgenaam (art. 4:130 lid 2 BW).3 Stel dat de erflater uitsluitend aan de executeur de last heeft opgelegd, een tot de nalatenschap behorend beperkt recht te verkopen en leveren aan een derde. De enig erfgenaam heeft het moederrecht van het beperkte recht. Analoge toepassing van art. 4:50 lid 3 BW voorkomt dat het beperkte recht door vermenging tenietgaat.
113. De erfstelling, de stichting, de makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde, de executeurs en het testamentair bewind zijn de andere uiterste wilsbeschikkingen die in Boek 4 BW zijn geregeld. Bij een erfstelling laat de erflater zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin na aan de daarbij aangewezen personen (art. 4:115 BW). Het ligt niet voor de hand art. 4:50 lid 3 BW analoog toe te passen bij een erfstelling, omdat dit type uiterste wilsbeschikking niet ziet op één of meer bepaalde goederen, maar op (een aandeel in) een nalatenschap als geheel. Bovendien is een erfgenaam op grond van de erfstelling niet gehouden iets te doen met de goederen van de nalatenschap, zoals wel het geval is bij een legaat.
Art. 4:135 BW geeft een regeling voor de testamentaire stichting. Een erflater kan bij uiterste wilsbeschikking een stichting in het leven roepen.4 De stichting kan erfgenaam of legataris zijn, afhankelijk van wat de erflater heeft bepaald (art. 4:135 lid 1 BW). Bij dit type uiterste wilsbeschikking is niet duidelijk hoe art. 4:50 lid 3 BW analoog toegepast zou kunnen worden.
De making onder tijdsbepaling is geregeld in art. 4:136 BW. Een erfstelling onder tijdsbepaling wordt aangemerkt als een dadelijk ingaande erfstelling van degene die, bij uitvoering van de uiterste wil zoals deze luidt, het laatst tot het erfdeel zou zijn geroepen. Deze erfgenaam is belast met een legaat van vruchtgebruik van het erfdeel voor de gestelde tijd, ten behoeve van degene die het eerst tot het legaat zou zijn geroepen (art. 4:136 lid 1 BW). Bij een dergelijke making is art. 4:50 lid 3 BW rechtstreeks van toepassing, omdat de erfgenaam is belast met het legaat. Analoge toepassing is niet nodig.
Bij de making onder voorwaarde, zijn meerdere personen voorwaardelijk tot erfgenaam benoemd (art. 4:137-4:141 BW). Zij zijn ieder voorwaardelijk gerechtigd tot de nalatenschap. Op die grond treedt geen vermenging op tussen het vermogen van de nalatenschap en privé-goederen van de erfgenamen (zie hoofdstuk 7). Het is daarom niet nodig art. 4:50 lid 3 BW analoog toe te passen. Mogelijk zou uit art. 4:138 lid 1 BW iets anders kunnen worden afgeleid:
“Wanneer een erfstelling onder een voorwaarde is gemaakt, wordt degene aan wie het vermaakte tot de vervulling der voorwaarde toekomt, als de uitsluitend rechthebbende aangemerkt voor zover het betreft de door en tegen derden uit te oefenen rechten en rechtsvorderingen.”
De bepaling zou in die zin kunnen worden opgevat, dat degene aan wie de nalatenschap toekomt totdat de voorwaarde in vervulling is gegaan, onvoorwaardelijk rechthebbende is van de goederen van de nalatenschap. Volgens die opvatting zou wel vermenging optreden tussen goederen van de nalatenschap en het privé-vermogen van de erfgenaam. De bepaling heeft volgens de parlementaire geschiedenis echter een andere betekenis. Degene die tot de nalatenschap is gerechtigd voordat de voorwaarde in vervulling is gegaan, is wel degelijk voorwaardelijk gerechtigd tot de goederen van de nalatenschap.5 Om die reden treedt geen vermenging op (zie hoofdstuk 7). Analoge toepassing van art. 4:50 lid 3 BW is niet nodig.
Verder kan de erflater bij uiterste wilsbeschikking een executeur benoemen (art. 4:142 BW). De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen (art. 4:144 lid 1 BW). Daartoe is hij bevoegd goederen van de nalatenschap te gelde te maken (art. 4:147 lid 1 BW). Analoge toepassing van art. 4:50 lid 3 BW lijkt mij bij dit alles niet mogelijk.
De erflater kan voorts één of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen onder bewind stellen (art. 4:153 lid 1 BW). Bij bewind is sprake van vermogensafscheiding, als gevolg waarvan geen vermenging optreedt (zie nr. 43 en hoofdstuk 5).6 Analoge toepassing van art. 4:50 lid 3 BW is niet nodig.
114. In art. 1:94 lid 3, aanhef en onder b BW is ook een uiterste wilsbeschikking geregeld. Een erflater kan bepaalde, krachtens erfrecht verkregen goederen, laten vallen in de huwelijksgemeenschap van de gehuwde erfgenaam (een zogeheten insluitingsclausule).7 Normaal gesproken vallen verkrijgingen krachtens erfrecht buiten de huwelijksgemeenschap (art. 1:94 lid 2, aanhef en onder a BW). Analoge toepassing lijkt mij bij deze bepaling niet voor de hand liggen, omdat op de erfgenaam niet de verplichting rust, iets te doen met het goed waarop de clausule ziet, zoals bij een legaat.
Volgens art. 1:134 BW kan bij uiterste wilsbeschikking worden bepaald dat, in afwijking van een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden, voor een verkrijging krachtens erfrecht of gift geen verrekening plaatsvindt. Analoge toepassing van art. 4:50 lid 3 BW lijkt mij niet mogelijk, omdat verrekening geen betrekking heeft op de goederenrechtelijke betrekkingen tussen de echtgenoten. Het is (slechts) een verbintenisrechtelijke afspraak om inkomsten en vermogen te verrekenen (art. 1:132 lid 1 BW).
Art. 1:253i lid 4, aanhef en onder c BW ziet op het bewind van goederen van een minderjarige. In beginsel voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het vermogen van de minderjarige (art. 1:253i lid 1 BW). Iemand die goederen aan een minderjarige vermaakt, kan echter bij uiterste wilsbeschikking bepalen dat een ander het bewind over die goederen voert (art. 1:253i lid 4, aanhef en onder c BW). De goederen die bij uiterste wilsbeschikking onder bewind zijn gesteld, vormen een afgescheiden vermogen. Om die reden treedt geen vermenging op tussen de onder bewind gestelde goederen en het overige vermogen van de minderjarige (zie nr. 43 en hoofdstuk 5).8 Analoge toepassing van art. 4:50 lid 3 BW is niet nodig.
In beginsel hebben de ouders het vruchtgenot van het vermogen van hun minderjarige kinderen (art. 1:253l lid 1 BW). Een erflater kan echter bij uiterste wilsbeschikking bepalen dat de ouders niet het vruchtgenot zullen hebben van aan een minderjarig kind vermaakte goederen (art. 1:253m BW). Stel dat een minderjarige eigenaar is van een onroerende zaak, waarop een recht van erfpacht rust. De erfpacht wordt aan hem gelegateerd. Bij het legaat wordt een ‘1:253m’-clausule gemaakt. Ik zou menen dat de erfpacht door die clausule een afgescheiden vermogen vormt. Om die reden treedt geen vermenging op. Analoge toepassing van art. 4:50 lid 3 BW is niet nodig.
Volgens art. 1:292 lid 1 BW kan een ouder bij uiterste wilsbeschikking bepalen welke persoon of personen na zijn dood als voogd het gezag over zijn kinderen zullen uitoefenen. Art. 4:50 lid 3 BW kan niet analoog worden toegepast, omdat de beschikking niet ziet op bepaalde goederen waarmee iets moet worden gedaan, zoals bij een legaat.
115. In de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten zijn ook regelingen te vinden over uiterste wilsbeschikkingen. Volgens art. 25 lid 2 Auteurswet en art. 5 lid 2 Wet op de naburige rechten kan een erflater bij uiterste wilsbeschikking aanwijzen wie zijn zogeheten persoonlijkheidsrechten na zijn overlijden kan uitoefenen. Laat hij een aanwijzing achterwege, dan vervallen de persoonlijkheidsrechten bij zijn dood.9 Een auteur of uitvoerend kunstenaar kan zich op grond van zijn persoonlijkheidsrechten, verzetten tegen openbaarmaking van zijn werk of uitvoering zonder vermelding van zijn naam, tegen wijzigingen in zijn werk of uitvoering, en tegen misvormingen en verminkingen van zijn werk of uitvoering (art. 25 lid 1 Auteurswet en art. 5 lid 1 Wet op de naburige rechten).10 Daarnaast is de auteur bevoegd wijzigingen aan te brengen aan het werk, zoals hem die naar de regels van het maatschappelijk verkeer te goeder trouw vrijstaan (art. 25 lid 4 Auteurswet). Persoonlijkheidsrechten zijn niet overdraagbaar.11 Daarom kunnen op die rechten ook geen beperkte rechten worden gevestigd (art. 3:98 en 3:228 BW).12 Art. 4:50 lid 3 BW kan om die reden niet analoog worden toegepast op persoonlijkheidsrechten.
Volgens art. 19 lid 1 Wet op de lijkbezorging en art. 9 lid 4 Wet op de orgaandonatie kan iemand uiterste wilsbeschikkingen maken over de bezorging van zijn lijk, respectievelijk de verwijdering van zijn organen. Art. 4:50 lid 3 BW kan bij deze beschikkingen niet analoog worden toegepast, omdat bij iemands overlijden geen beperkte rechten kunnen rusten op zijn lijk of zijn organen.13
Alleen in het geval een testamentaire last uitsluitend is opgelegd aan een executeur, en de last niet tevens rust op de erfgenaam (art. 4:130 lid 2 BW), is het nodig art. 4:50 lid 3 BW analoog toe te passen. In de andere onderzochte gevallen is analoge toepassing van de bepaling niet aannemelijk, niet nodig of niet mogelijk.