Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/4.4.3
4.4.3 Proportionaliteit ten opzichte van het beginsel van algemene heffing
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS412086:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Illustratief in dit kader is de opmerking in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en van enige andere belastingwetten in verband met de fiscale begeleiding van de overgang van vermogen onder algemene titel bij rechtspersonen op de voet van Boek 2 Burgerlijk Wetboek, waarin wordt opgemerkt dat: “Uitgangspunt voor een regeling inzake de fiscale begeleiding van de juridische splitsing en de juridische fusie dient te zijn dat een splitsing dan wel een fusie die is ingegeven door bedrijfseconomische overwegingen niet mag worden belemmerd door de fiscaliteit.” Kamerstukken II 1997/98, 25 709, 3, blz. 2. Zie ook de considerans (m.n. overweging 2) van de Fusierichtlijn 2009 (Richtlijn 2009/133/EG van 19 oktober 2009).
Zie H.M. van Ooijen, noot bij TC 25 september 1967, nr. 10 180 O, BNB 1968/15, A-G Van den Berge, conclusie bij HR 14 april 1999, nr. 32 272, FED 1999/399, G.J. van Norden, ‘Algemeenheid van goederen in de BTW weer op de agenda’, WFR 2004/6603, M.M.W.D. Merkx, ‘Modewereld nu ook verantwoordelijk voor de trend in de BTW’, MBB 2005/02 en A-G Van Hilten, conclusie bij HR 26 februari 2010, nr. 08/02136, BNB 2010/223.
Zie ook G.J. van Norden, ‘Algemeenheid van goederen in de BTW weer op de agenda’, WFR 2004/6603.
In de Wet OB 1954, die de huidige Wet OB 1968 presideerde, was in artikel 30 Wet OB 1954 opgenomen dat van omzetbelasting is vrijgesteld: “het overdragen van een bedrijf aan degene die dat bedrijf voortzet.” In de memorie van toelichting bij het artikel is slechts opgenomen dat het artikel ten aanzien van de overdracht van een onderneming of een deel daarvan eenzelfde regeling geeft als reeds van toepassing is op basis van paragraaf 3 lid 1 Uitvoeringsresolutie OB 1947 (Kamerstukken II 1951/52, 2602, 3, blz. 28). Ik wijs erop dat de heffing van omzetbelasting op basis van de Wet OB 1954 uitging van het cumulatief cascadestelsel, dat als belangrijkste kenmerk ten opzichte van ons huidige stelsel had dat er in beginsel in iedere schakel van het productie- en distributieproces belasting werd geheven over de bruto omzet zonder dat een recht op aftrek van voorbelasting bestond.
TC 27 april 1970, 10 393 O, BNB 1970/180.
Zie met name C.P. Tuk, noot bij TC 27 april 1970, 10 393 O, BNB 1970/180.
Zie in gelijke zin over de redactie van de vrijstelling van artikel 30 Wet OB 1954, C.P. Tuk, noot bij TC 27 april 1970, 10 393 O, BNB 1970/180.
Voorgaande kan de indruk doen ontstaan dat het gat dat door de geruisloze overgang wordt geslagen in het normale systeem van heffing en de inbreuken op het beginsel van algemene heffing die ermee gepaard gaan, nauwelijks door een vastomlijnd doel worden gedragen. Daarbij kan de vraag worden opgeworpen of de inbreuken niet disproportioneel groot zijn ten opzichte van een beperkt doel. Immers, zoals besproken is van vereenvoudiging nauwelijks sprake en wordt in de meeste situaties slechts een financieringsvoordeel bereikt. Gesteld zou kunnen worden dat met een kanon op een mug wordt geschoten. Zoals in paragraaf 2.4.5 reeds opgemerkt toets ik hiermee aan het beginsel van algemene heffing, en neemt die toets de vorm aan van een proportionaliteitstoets.
Met de eenvoudige conclusie dat met een kanon op een mug wordt geschoten, zou ik te kort door de bocht gaan. De hamvraag is immers: waarom wordt deze financiële belasting als ‘onnodig’ of ‘buitensporig’ gezien? Op basis van de formulering van het Hof van Justitie lijkt dit met name gekoppeld aan het feit dat het, ten eerste, waarschijnlijk een groot (‘buitensporig’) bedrag betreft dat, ten tweede, toch weer in aftrek kan worden gebracht. Het is echter onwaarschijnlijk dat het doel van de regeling is om te voorkomen dat grote bedragen btw worden voldaan die vervolgens volledig aftrekbaar zijn. Dat mechanisme op zichzelf als ‘onnodig’ aanmerken zou neerkomen op sabotage van de heffingssystematiek van de btw. ‘Onnodigheid’ en ‘buitensporigheid’ zijn naar mijn overtuiging derhalve kwalificaties die niet zozeer voortvloeien uit de btw-systematiek, maar uit de politiek-economische idee bedrijfsoverdrachten zoveel mogelijk te vergemakkelijken en te faciliteren. Fiscaliteit mag geen beletsel vormen voor het overgaan van de onderneming.1 In dat licht dient het doel van de regeling te worden gezien. In dat licht dient eveneens de idee van vereenvoudiging te worden gezien. De btw heeft geen plaats bij een ondernemingsoverdracht. Dat die overtuiging binnen het systeem van de btw niet naadloos is in te passen, moet in dit licht worden geaccepteerd.
Het doel van de regeling dient in dit verband dan ook te worden gezien als een uiting van het rechtskarakter van de btw. De overgang van de onderneming is een belangrijk fiscaal evenement dat bovendien niet leidt tot consumptief verbruik van goederen en diensten en in die zin geen deel uitmaakt van de productie- of distributieketen.
In de literatuur is met betrekking tot de geruisloze overgang dan ook wel betoogd dat de regeling (mede) voortkomt uit de gedachte dat een bedrijfsoverdracht feitelijk een horizontale beweging in de bedrijfskolom vormt, als gevolg waarvan goederen of diensten niet dichter bij de consument komen en er derhalve feitelijk geen verbruik plaatsvindt.2 Op Unierechtelijk niveau is dit idee echter nergens als doelstelling geformuleerd.3 Op nationaal niveau heeft de Tariefcommissie met betrekking tot de toepassing van de vrijstelling van artikel 30 Wet OB 19544 in een uitspraak belang gehecht aan het idee dat heffing achterwege dient te blijven indien goederen niet dichter bij de consument raken.5 Die uitspraak werd overigens niet kritiekloos ontvangen.6
Dat neemt niet weg dat de regeling in ieder geval het effect heeft dat heffing achterwege blijft op handelingen die bestaan in de overgang van een algemeenheid van goederen, welke handelingen inderdaad niet leiden tot ‘verbruik’. In zoverre kan worden vastgesteld dat vanuit de gedachte van het beoogde object van heffing, met toepassing van de geruisloze overgang recht wordt gedaan aan het rechtskarakter van de btw. Daartegenover staat dat als de richtlijnwetgever had beoogd om alle bewegingen binnen de (horizontale) bedrijfskolom buiten de heffing te laten, artikel 19 (en 29) Btw-richtlijn een ruimere opzet had(den) moeten krijgen.7 Deze gedachte moet daarom naar mijn idee steeds in samenhang worden gezien met de politiek-economische wens om bedrijfsoverdrachten fiscaal niet te belemmeren.