Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.4.2.1
II.4.2.1 Algemeen
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377652:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de artikelen 35 en 36 van de Model Rules en Model Rules Book III, p. 141.
Zie onder meer de jurisprudentie genoemd in paragraaf 3.2.2.1.
Model Rules Book III, p. 140.
Vgl. Maurer 2011, p. 302.
Vgl. paragraaf 48 VwVfG. Zie hierover meer uitgebreid in hoofdstuk 17 en paragraaf 19.2.1.
Vgl. onder meer Den Ouden 2010 en De Graaf en Marseille 2005. Ook in de subsidietitel van de Awb wordt de term ‘onjuist’ gebruikt. Zie bijvoorbeeld artikel 4:48 lid 1 sub d Awb. Ortlep spreekt in dit verband van rechtsongeldige beschikkingen. Zie Ortlep 2011, p. 327-328.
Vgl. art. 8:77 lid 2 Awb.
Ortlep spreekt in dit kader over rechtsongeldige beschikkingen. Dat zijn beschikkingen die qua ontstaan of inhoud in strijd zijn met het toepasselijke objectieve recht. Zie Ortlep 2011, p. 327
Den Ouden 2010, p. 696 en De Graaf en Marseille 2005, p. 306.
Door Ten Berge en Michiels ook wel aangeduid als de ‘aard van de onregelmatigheid’. Zie Ten Berge en Michiels 2001, p. 354.
Vgl. wat betreft subsidies Kamerstukken II 1993/94, 23700, 3, p. 73-74.
Tegenwoordig de regionale eenheid Limburg. Vgl. art. 25 lid 2 Politiewet 2012.
CRvB 15 maart 2007, AB 2008/14 m.nt. Van Ballegooij en TAR 2007/143.
Een belangrijke grond voor intrekking, is het feit dat de beschikking in strijd is met het recht.1 Zowel in de bestaande intrekkingsregelingen als in de literatuur en rechtspraak komt deze grond veelvuldig voor.2 In zowel de Models Rules als het Duitse stelsel is dit eveneens terug te zien. In de artikelen III-35 en III-36 van de Model Rules wordt zowel bij de intrekking van een begunstigende beschikking als de intrekking van een belastende beschikking met het oog op de normering van de intrekkingsbevoegdheid onderscheid gemaakt tussen de intrekking van een beschikking die in strijd met het recht is gegeven en de intrekking van beschikkingen die lawful zijn. Voor het belang van dit onderscheid wordt gewezen op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU.3
Ook de kern van het Duitse stelsel inzake intrekking wordt gevormd door het onderscheid tussen onrechtmatige en rechtmatige beschikkingen. Hoewel voorheen de gedachte was dat een onrechtmatige beschikking steeds moest kunnen worden ingetrokken (de zogenaamde freie Rücknehmbarkeit),4 leeft in het huidige stelsel veel meer de gedachte dat gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van de geadresseerde in de weg kan staan aan intrekking, ook al betreft het een onrechtmatige beschikking. Niettemin geldt nog steeds dat het enkele feit dat een beschikking in strijd met het recht is gegeven, voldoende is voor het bestaan van een bevoegdheid tot intrekking.5
Een beschikking die in strijd met het recht is gegeven, wordt in dit boek aangeduid als een onjuiste beschikking.6 Om verwarring met de door de rechter vast te stellen onrechtmatigheid van een beschikking te voorkomen,7 is niet de term onrechtmatige beschikking gekozen. Meer specifiek gaat het om beschikkingen welke in strijd met het recht zijn gegeven. Het betreft dus beschikkingen die vanaf het moment van verlening in strijd met het recht en dus onjuist zijn.8
De onjuistheid van de beschikking kan diverse oorzaken hebben. Het kan zijn dat het bestuursorgaan een beschikking verleent, zonder dat het de relevante feiten juist en volledig heeft vastgesteld. Stel bijvoorbeeld dat X bij het college van B&W een subsidie aanvraagt voor het plaatsen van zonnepanelen en in de betreffende subsidieregeling is bepaald dat enkel subsidie wordt verstrekt wanneer de zonnepanelen worden geplaatst door een gecertificeerd bedrijf. Wanneer X bij zijn aanvraag een offerte overlegt van een bedrijf dat niet beschikt over de benodigde certificaten, maar het college nalaat dit te controleren, wordt de subsidie verleend in strijd met het recht, omdat onvoldoende feitenonderzoek is gedaan. Een beschikking in strijd met het recht kan voorts ontstaan wanneer het bestuursorgaan (bij een juist en volledig feitencomplex), per abuis een beslissing neemt die in strijd is met het toepasselijke recht dan wel het geldende beleid.9 Stel bijvoorbeeld dat conform de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) exploitatievergunningen standaard worden verleend voor een duur van 3 jaar. Aan Y wordt echter, in strijd met hetgeen in de APV is bepaald, exploitatievergunning verleend met een looptijd van 5 jaar.
Tot slot een opmerking over de betekenis van de mate waarin de beschikking onjuist is.10 Het evenredigheidsbeginsel noopt er immers toe dat een redelijke verhouding bestaat tussen de mate van onjuistheid van de beschikking, dat wil zeggen de ernst van het gebrek, en de (omvang van de) intrekking.11 Niet iedere onjuistheid kan, met andere woorden, leiden tot intrekking van de (gehele) beschikking. Is sprake van een discretionaire bevoegdheid tot intrekking, dan dient in het concrete geval steeds aan het evenredigheidsbeginsel te worden getoetst. Een mooi voorbeeld hiervan biedt een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) uit 2007. Het betrof een door de korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid12 genomen functiewaarderingsbesluit met daarin een functieomschrijving. Daaraan gekoppeld was een bepaalde salariëring. Het functiewaarderingsbesluit werd ingetrokken, onder meer omdat de in het besluit omschreven werkzaamheden niet overeen kwamen met de door appellante verrichte werkzaamheden. Bij het nemen van het besluit was een fout gemaakt. De Raad stelt eerst in algemene zin over de bevoegdheid tot intrekking van een onjuist besluit:
‘Zoals de Raad eerder heeft overwogen […] komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.’
De korpsbeheerder was dus in algemene zin bevoegd om het onjuiste besluit in te trekken. Toch heeft de korpsbeheerder naar het oordeel van de Raad in casu ten onrechte van de intrekkingsbevoegdheid gebruik gemaakt:
‘De Raad is derhalve van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de bij het besluit van 20 juni 2000 vastgestelde functiebeschrijving een zodanig onjuist beeld gaf van de door appellante verrichte werkzaamheden dat de korpsbeheerder daarvan mocht terugkomen.’13