Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.4.2.2
II.4.2.2 Onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt door de geadresseerde
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382532:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
In bijzondere wetgeving kan meer specifiek bepaald zijn welke informatie de aanvrager moet verschaffen. Zie bijvoorbeeld de Regeling omgevingsrecht.
Vgl. PG Awb I, p. 205: ‘Wanneer een belanghebbende iets van het bestuur wil, rust op hem in beginsel de verplichting zoveel mogelijk die gegevens over te leggen die het bestuur nodig heeft voor de beslissing. […] Op het bestuur rust niet de verplichting zelf ter plekke feiten te gaan vaststellen omdat de aanvrager niet voldoende gegevens heeft verstrekt. Met andere woorden: in het algemeen mag het bestuursorgaan wat betreft de aanvrager van een besluit afgaan op de door deze verstrekte gegevens.’
Ortlep 2011, p. 156 incl. verwijzingen, p. 335 en Verheij 1997, p. 70-71. Zie voorts onder meer CRvB 23 mei 2000, USZ 2000/183 en JB 2000/169 m.nt. Albers, CBb 20 september 2007, AB 2007/361 m.nt. Ortlep en ABRvS 8 februari 2000, JB 2000/91 m.nt. Albers, AB 2001/118 m.nt. Damen en RAwb 2000/106 m.nt. De Moor-van Vugt (Haagse woningverbeteringssubsidies), CBb 24 juni 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT8929, CBb 23 april 2007, AB 2007/247 m.nt. Duijkersloot en Ortlep, ABRvS 24 mei 2006, ECLI:NL:RVS: 2006:AX4417, ABRvS 24 december 2003, AB 2004/240 m.nt. Nijmeijer, Gst. 2004/146 m.nt. Teunissen en BR 2004/55 m.nt. Weerkamp, ABRvS 12 september 2007, JV 2007/ 475 en ABRvS 28 april 2004, Gst. 2005/42 m.nt. Nijmeijer. Anders: CBb 6 april 1994, AB 1994/529 m.nt. Van der Veen, ABRvS 1 juni 1999, AB 2000/248 m.nt. Verheij onder AB 2000/250, ABRvS 14 januari 2000, JB 2000/65 en CRvB 18 februari 1975, AB 1976/63 en RSV 1975/279. In de memorie van toelichting bij de subsidietitel is opgemerkt dat niet is vereist dat de aanvrager op de hoogte was of behoorde te zijn van de onjuistheid of onvolledigheid van de gegevens. Wel kan dit aspect naar het oordeel van de wetgever een rol spelen bij de omvang van de verlaging van de subsidie. Zie Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 72-73.
Zie over dit begrip meer uitgebreid paragraaf 5.2.2.
Zie hierover meer uitgebreid hoofdstuk 14.
Rapport ABAR 1984, p. 221.
Een soortgelijke bepaling is artikel 31 lid 1 aanhef en onder a DHw: ‘Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien […] de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.’
Model Rules Book III, p. 141: ‘[…] whether the beneficiary had provoked the earlier decision through false or incomplete information […]’.
ABRvS 8 februari 2000, AB 2001/118 m.nt. Damen, JB 2000/91 m.nt. Albers en RAwb 2000/106 m.nt. De Moor-van Vugt (Haagse woningverbeteringssubsidies). Zie voorts ARRvS 10 mei 1979, tB/S III, p. 648 m.nt. Ten Berge en Stroink.
Wanneer sprake is van een beschikking op aanvraag, bestaat op grond van art. 4:2 lid 2 Awb voor de aanvrager de verplichting om alle voor de beslissing noodzakelijke informatie te verstrekken waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.1 Vanzelfsprekend dient de informatie die de aanvrager verstrekt volledig en correct zijn. Onvolledigheid of onjuistheid van de door de aanvrager verstrekte informatie, komt voor zijn risico.2 Daarbij is niet van belang of de aanvrager een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het verstrekken van de onjuiste of onvolledigheid van de informatie.3 Wanneer sprake is van een duurbeschikking4 kan het voorts zo zijn dat van de geadresseerde wordt verlangd dat deze gedurende de looptijd van de beschikking bepaalde informatie verstrekt. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de informatieplichten zoals die bestaan in het socialezekerheidsrecht.5 Wanneer dit wordt nagelaten, kan ook aanleiding bestaan de beschikking in te trekken.6
Vereist voor intrekking van een beschikking wegens door de geadresseerde verstrekte onjuiste of onvolledige gegevens is dat sprake is van causaal verband tussen de onjuiste of onvolledige opgave en het nemen van een onjuist besluit. Dit betekent dat wanneer juiste en volledige gegevens zouden zijn verstrekt, de beschikking niet zou zijn gegeven, dan wel een andere inhoud zou hebben gehad. In art. 5.19 lid 1 aanhef en onder a Wabo is dit als volgt verwoord:
‘Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekking, indien: […] de vergunning of ontheffing ten gevolge van onjuiste of onvolledige opgave is verleend […].’7
Voorts kan worden gewezen op de Model Rules. Ten aanzien van de intrekking van een onjuiste begunstigende beschikking wordt opgemerkt dat wordt bezien of de geadresseerde ervoor heeft gezorgd dat de beschikking werd gegeven door onjuiste of onvolledige informatie te verstrekken.8
De eis van causaal verband blijkt ook uit de jurisprudentie. Zo overwoog de Afdeling in haar uitspraak inzake de Haagse woningverbeteringssubsidies:
‘Voor intrekking van een besluit tot het verstrekken van subsidie geldt in het administratieve recht reeds lang en algemeen dat dit in beginsel mogelijk is, indien de voor haar verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling ervan de juiste gegevens volledig bekend zouden zijn geweest.’9
Uit deze overweging blijkt voorts dat de eis van causaal verband samenhangt met de mate van onjuistheid van de beschikking. Immers, de beschikking die is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens moet dermate onjuist zijn, dat deze bij juiste/volledige gegevens niet (als zodanig) zou zijn gegeven. Niet iedere onjuistheid of onvolledigheid in de door de aanvrager verstrekte gegevens kan aldus leiden tot intrekking. Een en ander ligt voor de hand. Wanneer de onjuiste dan wel onvolledige gegevens niet leiden tot een andere beschikking dan die op grond van juiste en volledige gegevens zou zijn gegeven, bestaat geen noodzaak tot intrekken wegens het ontbreken van causaal verband.