Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.4.2.3
II.4.2.3 Beschikkingen in strijd met het recht, anders dan bedoeld in paragraaf 4.2.2
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS380158:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Vz. CBb 9 juli 1998, Gst. 1999/7 m.nt. Goorden en CBb 9 mei 2006, JB 2006/203.
Zie bijvoorbeeld de artikelen 4:48 lid 1 aanhef en onder d Awb en 4:49 lid 1 aanhef en onder b Awb. Zie meer uitgebreid over deze bepalingen hoofdstuk 11. Ook in bijzondere wetgeving is de eis van kenbaarheid te vinden, bijvoorbeeld in artikel 10 aanhef en onder b Wet tegemoetkoming schade bij rampen (bijvoorbeeld ABRvS 24 december 2003, AB 2004/383 m.nt. Verheij).
Zie over kennelijke onjuistheid in Unierechtelijke context paragraaf 11.2.4.
De precieze gevolgen van de kenbaarheid van de onjuistheid van de beschikking voor de normering van de intrekkingsbevoegdheid komen aan bod in hoofdstuk 7.
ABRvS 6 oktober 2004, JB 2004/372.
Zie bijvoorbeeld CRvB 24 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6897.
CRvB 18 september 2002, RSV 2002/294. Zie voorts ABRvS 23 januari 2002, JB 2002/87 m.nt. Albers, CBb 22 augustus 2000, AB 2000/460 m.nt. Van der Veen en Vz. ARRvS 5 januari 1989, AB 1989/357 m.nt. Simon. In laatstgenoemde uitspraak oordeelde de voorzitter dat onder meer uit het door verzoekster ingevulde aanvraagformulier viel af te leiden dat zij niet in aanmerking kwam voor een rondvisdocument.
CRvB 2 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0150.
ABRvS 7 december 2005, AB 2006/89 m.nt. Van Hall en JB 2006/30.
CRvB 22 september 2010, JB 2010/262. Zie voorts ABRvS 19 maart 2014, AB 2014/152 m.nt. Koenraad.
CRvB 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3275.
CBb 8 mei 2008, AB 2008/273 m.nt. Van der Vlies.
CBb 9 mei 2006, JB 2006/203.
Vz. CBb 9 juli 1998, Gst. 1999/7 m.nt. Goorden.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 73. Aldus ook CRvB 6 oktober 2009, ECLI:NL: CRVB:2009:BK0252, waarin al vrij snel na het nemen van het oorspronkelijke besluit mondeling was meegedeeld dat er sprake was van een fout.
ABRvS 9 december 1997, JB 1998/9 m.nt. Simon.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 3 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3986 en CRvB 30 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9312.
CBb 9 mei 2006, JB 2006/203.
ABRvS 24 december 2003, AB 2004/383 m.nt. Verheij.
Zie voorts ABRvS 1 maart 2006, AB 2006/188 m.nt. Verheij en JB 2006/115, waarin werd geoordeeld dat een besluit inzake de toekenning van huursubsidie niet kennelijk onjuist was, omdat onvoldoende duidelijk was welke vermogensgrondslag werd gehanteerd.
Ortlep 2011, p. 331 incl. verwijzingen, Den Ouden 2010, p. 700, De Graaf en Marseille 2005, p. 315 en Rapport ABAR, p. 224.
CRvB 17 april 1979, AB 1980/269 m.nt. Smits. Zie voorts ABRvS 4 juni 2008, AB 2008/208 m.nt. Ortlep en CBb 17 april 2003, AB 2003/267 m.nt. Van der Veen.
CRvB 10 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0115. Zie voorts CBb 27 juni 2008, AB 2008/282 m.nt. Ortlep, waarin de intrekking van een besluit inzake de aanwijzing van appellante als officiĆ«le instantie voor de afgifte van een bepaald type communautaire verklaring centraal stond. De minister (verweerder) had aangevoerd dat de onjuistheid voor appellant kenbaar had moeten zijn, nu hij behoort het recht te kennen. Het CBb overwoog te dien aanzien: āVerweerder miskent met zijn in dit verband naar voren gebrachte stelling [ā¦] dat hij zelf jarenlang niet de onjuistheid van zijn interpretatie van het ter zake in de richtlijn bepaalde heeft onderkend. Verweerder kan naar het oordeel van het College niet van appellante verlangen dat zij een betere kennis van het communautaire recht heeft dan hijzelf.ā
CRvB 18 september 2002, RSV 2002/294 en Vz. CBb 9 juli 1998, Gst. 1999/7 m.nt. Goorden.
Zoals hiervoor aangegeven kan een beschikking ook in strijd met het recht worden gegeven, als het bestuursorgaan bij een juist en volledig feitencomplex per abuis een verkeerde beslissing neemt of bewust het recht verkeerd toepast in de veronderstelling dat het een juiste toepassing betreft. De oorzaak van de onjuistheid van de beschikking ligt, anders dan hiervoor, aan de zijde van het bestuursorgaan. Van belang daarbij in het kader van de intrekking is of de onjuistheid van de beschikking kenbaar is voor de geadresseerde. Anders gezegd: wist de geadresseerde dat de beschikking onjuist was, respectievelijke behoorde hij te weten dat de beschikking onjuist was. Zowel in de jurisprudentie1 als in diverse wettelijke intrekkingsbepalingen2 is de eis van kenbaarheid van de onjuistheid terug te vinden. Er wordt dan wel gesproken over een kennelijk onjuiste beschikking.3 Wanneer de onjuistheid van de beschikking voor de geadresseerde niet kenbaar was of behoorde te zijn, mag de geadresseerde vertrouwen op het in stand blijven van de beschikking. Dat betekent echter niet dat intrekking in het geheel is uitgesloten, zij het dat vooral een intrekking ex tunc in een dergelijke situatie problematisch kan zijn.4 Een en ander kan onder meer worden afgeleid uit de Model Rules, waar bij de vraag of een onjuiste beschikking mag worden ingetrokken, gewicht wordt toegekend aan de verwachting van de geadresseerde dat de beslissing juist was. Art. III-35 lid 2 aanhef van de Model Rules inzake de intrekking van een onjuiste begunstigende besslissing luidt namelijk:
āThe public authority shall take into account the extent to which a party has a legitimate expectation that the decision was lawful [ā¦]ā
Wanneer gezegd kan worden dat de geadresseerde weet van de onjuistheid van de beschikking is niet eenvoudig aan te tonen. Een voorbeeld van een situatie waarin de subsidie-ontvanger wist van de fout biedt een uitspraak van de Afdeling uit 2004. In het kader van een beslissing op bezwaar met betrekking tot een subsidieverleningsbeschikking was de minister tot de conclusie gekomen dat een fout was gemaakt en dat daarom aanspraak bestond op een lager bedrag aan subsidie dan was verleend. De minister herstelde de fout echter niet bij de beslissing op bezwaar, maar pas bij de (definitieve) vaststelling van de subsidie. Appellante beriep zich op het vertrouwensbeginsel, maar dit beroep slaagde niet. De Afdeling overwoog:
āDat de Minister de gemaakte fout niet heeft hersteld in het kader van de subsidieverlening, leidt evenwel niet tot het oordeel dat appellante er rechtens op mocht vertrouwen dat dit evenmin zou gebeuren in het kader van de subsidievaststelling. [ā¦] In het onderhavige geval is in het kader van de heroverweging van de beschikking tot subsidieverlening gebleken dat de vergoeding niet juist was berekend en dat appellante van die fout op de hoogte was. Derhalve kon de Minister de vergoeding op een lager bedrag vaststellen met toepassing van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb.ā5
Het criterium behoren te weten biedt meer aanknopingspunten. Hierbij gaat het om de vraag of de geadresseerde, gelet op de relevante objectief kenbare omstandigheden, op de hoogte had kunnen zijn van de onjuistheid van de beschikking. Of dit daadwerkelijk het geval is, wordt beoordeeld aan de hand van de mate waarin de (juistheid van de) beschikking controleerbaar is. Wanneer bijvoorbeeld een besluit een ondubbelzinnige fout bevat, kan geen beroep meer worden gedaan op onbekendheid met die fout.6 Zo overwoog de CRvB in 2002 ten aanzien van een foutieve toekenning van een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet:
ā[ā¦] dat gedaagde reeds bij lezing van het toekenningsbesluit had kunnen begrijpen dat een fout was gemaakt door gedaagde, nu in dat besluit is vermeld dat hij in de maand van overlijden van zijn echtgenote 40 jaar was, terwijl gedaagde die leeftijd pas een maand later had bereiktā.7
Van een evident onjuiste beschikking is eveneens sprake wanneer een uitkering voor werkloosheid wordt toegekend voor een hoger aantal uren dan dat voor het intreden van de werkloosheid werd gewerkt.8 Kennelijke onjuistheid kan voorts worden aangenomen, indien een beschikking tegenstrijdigheden bevat. In een uitspraak van de Afdeling uit 2007 betrof het een vergunning voor het realiseren van een steiger. De afmetingen welke in de tekening die bij de vergunning was opgenomen, strookten niet met de in de vergunning genoemde afmetingen. Om die reden had appellant kunnen begrijpen dat de vergunning onjuist was.9 Voorts geldt, dat wanneer een beschikking strijdig is met een door het bestuursorgaan verstrekte brochure, niet van de juistheid van de beschikking mag worden uitgegaan.10 Er moet dan bij de geadresseerde op zijn minst twijfel bestaan over de onjuistheid van de beschikking. Daarbij wordt soms aanzienlijke oplettendheid van de burger verwacht.11
Het enkele feit dat een beschikking in strijd is met de van toepassing zijnde regelgeving, leidt niet per definitie tot de conclusie dat sprake is van een kennelijk onjuiste beschikking. Zo was in een uitspraak van het CBb uit 2008 sprake van een onjuiste subsidieverlening. De aanvrager was namelijk, in strijd met de geldende subsidieregeling, verplichtingen aangegaan nog voordat de subsidie was aangevraagd. Dit werd bij de vaststelling gecorrigeerd, hetgeen resulteerde in het op nihil vaststellen van de subsidie. Volgens het CBb kon deze handelwijze niet door de beugel, mede omdat een medewerker van een tot het bestuursorgaan behorend agentschap akkoord was gegaan met het feit dat de aanvrager voordat hij zijn aanvraag indiende verplichtingen aanging:
āNaar het oordeel van het College valt niet in te zien dat appellante wist of behoorde te weten dat de subsidieverlening in dit geval kennelijk onjuist was. Daartoe overweegt het College dat B [ā¦] heeft medegedeeld dat deelname aan de beurs akkoord was, en dat uit de stukken niet blijkt dat aan appellante kenbaar moet zijn geweest dat de verplichting tot beursdeelname pas mocht worden aangegaan na deze toestemming. [ā¦] Appellante heeft bedoelde verplichting ook niet ondubbelzinnig kunnen opmaken uit de Subsidieregeling zelf, aangezien verweerder heeft uiteen gezet dat hij in afwijking van artikel 2, derde lid, onder b, van de Subsidieregeling een beleid heeft ingezet om toestemming te verlenen om verplichtingen aan te gaan voor beursdeelname indien daarmee kan worden voorkomen dat de aanvrager zijn plaats op de beurs verspeelt. Om deze reden kan aan het standpunt van verweerder dat ieder wordt geacht de wet te kennen, niet de waarde worden toegekend die verweerder daaraan kennelijk gehecht wil zien. Voorts heeft neemt (sic) het College in aanmerking dat verweerder bij de voorbereiding van de subsidieverlening wist of kon weten dat de beurs al had plaatsgevonden. Het had dan ook op zijn weg gelegen na te gaan of het aangaan van de verplichting conform het gevoerde beleid met voorafgaande toestemming had plaatsgevonden.ā12
Strijd met een wettelijke regeling leidt voorts niet tot de conclusie dat sprake is van een kennelijk onjuiste beschikking, wanneer het gaat om een erg ingewikkeld wettelijk systeem. De gedachte lijkt te zijn dat het dan voor de geadresseerde niet te achterhalen is of de aan hem gegeven beschikking al dan niet in strijd is met dit systeem.13
In een uitspraak van het CBb uit 1998 werd geoordeeld dat, nu de vergunning in strijd was met het geldende beleid, welk beleid voorts op deugdelijke wijze bekend was gemaakt, deze op de hoogte had behoren te zijn van de onjuistheid van de aan hem verleende vergunning. Het CBb overwoog:
āDienaangaande is van belang dat [ā¦] verweerders beleid [ā¦] sedert 1993 telkens in het gemeenteblad is bekendgemaakt [ā¦]. Daaruit volgt dat verweerders beleidsregels in werking zijn getreden en een beroep op onbekendheid daarmee niet kan slagen. Verzoekers moesten geacht worden op de hoogte te zijn van het beleid [ā¦].ā14
Van kenbare onjuistheid van de beschikking kan ook sprake zijn wanneer de onjuistheid van de beschikking blijkt uit eerdere contacten met het bestuursorgaan.15 Een voorbeeld biedt een uitspraak van de Afdeling van 9 december 1997.16 H. had huursubsidie aangevraagd, maar deze werd hem geweigerd omdat de maximale huursubsidiegrens werd overschreden. H. diende voor een ander jaar een nieuwe aanvraag in en per abuis, de relevante omstandigheden waren namelijk gelijk gebleven, werd voor dat jaar wel huursubsidie verleend. Toen het bestuursorgaan deze fout ontdekte, werd de subsidie alsnog ingetrokken. De vraag was of H. met deze intrekking rekening diende te houden. Volgens de Afdeling was dit het geval. Uit de eerdere afwijzing moest H. begrijpen dat hij niet in aanmerking kwam voor huursubsidie.
Is een door het bestuursorgaan gemaakte fout voor de geadresseerde niet controleerbaar, dan kan de geadresseerde ook niet worden geacht op de hoogte te kunnen zijn van de onjuistheid van de beschikking. Van een kennelijk onjuiste beschikking is dientengevolge geen sprake.17 Een voorbeeld biedt een uitspraak van het CBb uit 2006.18 In geding was een vergoeding van schade welke was geleden ten gevolge van de ruiming van de dieren aanwezig op het bedrijf van appellante. Bij besluit was een bedrag aan schadevergoeding toegekend. Later werd dit bedrag aanzienlijk verlaagd, omdat een bij de waardebepaling was uitgegaan van een verkeerde leeftijd van de dieren. Volgens het College zou van kennelijke onjuistheid gesproken kunnen worden, indien het berekeningssysteem voor appellante voldoende kenbaar zou zijn geweest. Dat was in casu echter niet het geval. Uit de berichten die het bestuursorgaan naar appellante waren gestuurd, bleek voorts ook niet dat de waardevaststelling onjuist was. Tot slot had appellant vele overzichten toegestuurd gekregen, waarin verschillende uitgangspunten leidden tot verschillende bedragen. Van een kennelijk onjuiste beschikking kon aldus niet worden gesproken. Eenzelfde conclusie werd getrokken in een uitspraak van de Afdeling uit 2003.19 Het betrof de toekenning van schadevergoeding op grond van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen. Deze toekenning werd een jaar later herzien en vastgesteld op een lager bedrag, omdat een rekenfout was gemaakt. Volgens de Afdeling kon niet worden volgehouden dat sprake was van een kennelijk onjuist toekenningsbesluit, nu appellant niet beschikte over het benodigde taxatierapport. De onjuistheid van het (eerste) toekenningsbesluit was aldus niet controleerbaar.20
Een vraag die zich naar aanleiding van het voorgaande opdringt is, in hoeverre de deskundigheid van de geadresseerde een rol speelt bij de beoordeling of deze wist of behoorde te weten dat de beschikking onjuist was. Gesteld zou immers kunnen worden dat van een geadresseerde die ter zake deskundig is, eerder mag worden verwacht dat hij bemerkt dat een beschikking onjuist is dan van iemand die moet worden beschouwd een leek te zijn op het betreffende (rechts)gebied. De kennis en kunde van de geadresseerde blijkt inderdaad van belang te zijn bij de beoordeling of deze op de hoogte behoort te zijn van de onjuistheid van de beschikking.21 Dit blijkt reeds uit een zeer oude uitspraak van de CRvB. Het betrof een fout die werd gemaakt bij het verstrekken van een WAO-uitkering. Het feit dat gedaagde voor aanvang van de arbeidsongeschiktheid halve dagen werkte in plaats van volle dagen was namelijk niet in de berekening van de hoogte van de uitkering verwerkt. Volgens de Centrale Raad was deze fout voor gedaagde kenbaar, nu hij
ā[ā¦] als beambte bij de uitvoering van de Ziektewet toch geen vreemde was op het terrein van de toepassing der werknemers-sociale verzekering [ā¦].ā22
De Raad vond het om die reden niet aannemelijk dat hij zich niet bewust was van de onjuistheid van de WAO-uitkering. Dat de geadresseerde ter zake over kennis beschikt, betekent evenwel niet, dat er altijd van wordt uitgegaan dat hij op de hoogte is of behoort te zijn van de onjuistheid van de beschikking. Zo oordeelde de CRvB in 2005 dat, hoewel appellant in zijn hoedanigheid van belastingambtenaar vertrouwd werd geacht met de omgang met cijfers, hij de onjuistheid van de beschikking niet behoefde te onderkennen. Door het bestuursorgaan was namelijk de ene na de andere fout gemaakt en de aan appellant toegestuurde specificaties waren onduidelijk en verwarrend.23 Met andere woorden: als het bestuursorgaan er zo een potje van maakt dat het zelfs voor een geadresseerde die ter zake deskundig is, niet meer duidelijk is wat rechtens is, dan mag die deskundigheid hem niet worden tegengeworpen.
Tot slot is van belang te constateren dat van de geadresseerde een actieve houding mag worden verwacht wanneer deze twijfelt aan de juistheid van de beschikking. Wanneer bij lezing van een beschikking twijfel bestaat over de juistheid daarvan, dan dient bij het bevoegde orgaan navraag te worden gedaan.24 Wanneer de geadresseerde bij twijfel aan de juistheid van de beschikking geen navraag doet bij het bestuursorgaan, komt dat voor zijn risico. Hij kan zich dus niet op onwetendheid beroepen als geen navraag is gedaan.