Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/318
318 Wie is rechthebbende van het saldo?
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 16-03-2026
- Datum
16-03-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD51555:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie, met verdere literatuurverwijzingen, bijvoorbeeld Steneker 2002 en Steneker 2005, hoofdstuk 3.
HR 12 januari 2001, JOR 2001/50 m.nt. SCJJK en A. Steneker, NJ 2002, 371 m.nt. HJS.
Christiaans 2004, p. 86.
Snijders 2004a, p. 301 en 305 en Snijders 2004b, p. 610 en 620.
R.o. 3.3.3.
Snijders 2004b, p. 610.
Zie nr. 8 van hun noot in JOR onder voornoemd arrest Koren q.q./Tekstra q.q.
Zo ook Faber 1994, p. 188-189 en Steneker 2005, p. 60.
Zie par. 6.3.1 hiervóór.
Zo ook Rank-Berenschot 1997a, p. 249.
Daarnaast is het de vraag, als vermogensscheiding door de pandhouder op de bedoelde wijze mogelijk zou zijn, wie rechthebbende van de vordering terzake van de door de pandhouder aangehouden kwaliteitsrekening is, de pandgever of de pandhouder. Bij de notariële kwaliteitsrekening is de belanghebbende weliswaar rechthebbende van de vordering op de bank omdat de wet zulks bepaalt,1 maar het is de vraag of dit ook zo is bij kwaliteitsrekeningen waarvoor niet wettelijk geregeld is dat niet de rekeninghouder, maar de belanghebbende rechthebbende van de vordering op de bank is. Juridisch Nederland is diep verdeeld over de vraag of dit zo is en/of zo zou moeten zijn.2
Christiaans trekt uit het arrest Koren q.q./Tekstra q.q.3 de conclusie dat de belanghebbende bij een kwaliteitsrekening steeds de rechthebbende van de vordering op de bank is, ook als de kwaliteitsrekening geen notariële kwaliteitsrekening is.4 Ook H.J. Snijders stelt naar aanleiding van dit arrest en het arrest Coöperatie Beatrix/Procall dat naar geldend recht steeds de belanghebbende rechthebbende van de vordering is, ongeacht of het een notariële kwaliteitsrekening betreft.5
In het arrest Koren q.q./Tekstra q.q. oordeelde de Hoge Raad echter uitsluitend over een bijzondere notariële kwaliteitsrekening. De Hoge Raad zocht daarbij aansluiting bij het in art. 25 Wet op het Notarisambt voor een generieke notariële kwaliteitsrekening bepaalde dat de belanghebbenden bij de kwaliteitsrekening de rechthebbenden van de vordering op de bank zijn. In het arrest Coöperatie Beatrix/Procall overweegt de Hoge Raad dat het saldo van een kwaliteitsrekening is afgescheiden van de boedel van de rekeninghouder6 maar hieruit volgt niet, anders dan H.J. Snijders meent,7 dat de vordering op de bank terzake van dat saldo aan de belanghebbende toebehoort. Met Kortmann en Steneker meen ik dat niet duidelijk is of de Hoge Raad in dezelfde zin zou oordelen voor de niet-notariële kwaliteitsrekening.8
Denkbaar is dat de pandhouder rechthebbende is van de vordering op de bank terzake van de door hem ten behoeve van de inning aangehouden kwaliteitsrekening. Voor het ontstaan van zijn substitutiepandrecht vormt dit geen beletsel. Zijn vordering op de bank zou een afgescheiden vermogen kunnen vormen waarop een pandrecht kan rusten dat in zijn overige vermogen valt.9
Hierop voortbordurend heeft Steneker gepleit voor een regeling waarin de pandhouder rechthebbende van de vordering op de bank terzake van de kwaliteitsrekening is.10 Deze benadering heeft mijn instemming, om de reden dat het wenselijk is dat degene die bij de bank en mogelijk ook bij derden bekend is als de rekeninghouder, in casu de pandhouder en niet de pandgever, rechthebbende is van de vordering op de bank die ontstaat door inning op een kwaliteitsrekening van de verpande vordering door de pandhouder. Dat de positie van de pandgever in dit opzicht na inning niet zoveel mogelijk gelijk is aan zijn positie vóór de inning is daarbij niet bezwaarlijk, omdat het door de pandhouder geïnde niet vatbaar is voor verhaal door crediteuren van de pandhouder zolang de pandhouder daarop geen verhaal heeft genomen. Het geïnde is, doordat dit is ondergebracht op een kwaliteitsrekening, afgescheiden van het overige vermogen van de pandhouder.
Bij de inning van een vordering tot levering van een goed is er geen aanleiding om de pandhouder rechthebbende van het te leveren goed te laten worden. Voor dat geval is het in dit opzicht geldende recht in overeenstemming met het wenselijke recht.11
De onduidelijkheid over de bevoegdheid van de pandhouder tot het openen van een kwaliteitsrekening en over de vraag wie de rechthebbende van de vordering terzake van zo een kwaliteitsrekening op de bank is, is irrelevant voor het ontstaan van substitutiepandrechten van de andere pandhouders dan de innende pandhouder. Zolang het geïnde als een vordering in hetzij het vermogen van de pandgever, hetzij het vermogen van de pandhouder individualiseerbaar blijft, rusten daarop de substitutiepandrechten van de andere pandhouders.12