De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.7.4:5.7.4 De coöperatie
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.7.4
5.7.4 De coöperatie
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS384342:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor de BV geldt overigens dat binnen zekere grenzen een tijdelijke onoverdraagbaarheid van aandelen wel is toegestaan (art. 2:195 lid 3 BW).
Dit wordt ook wel de negatieve vrijheid van vereniging genoemd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Belangrijk wat betreft de rechtsvorm van de coöperatie is allereerst dat haar karakter, in tegenstelling tot dat van de kapitaalvennootschappen, uitgaat van samenwerking: men verenigt zich om gezamenlijk een doel te behalen. Daarnaast kent de coöperatie, net als de maatschap, een besloten (persoonlijk) karakter. De coöperatie onderscheidt zich bovendien van de ‘gewone’ vereniging doordat zij een commerciële rechtspersoon is en daarmee dus, net als de maatschap en de kapitaalvennootschappen, gericht is op het behalen van voordeel (voor haar leden).
Hoewel de coöperatie net als de kapitaalvennootschappen een rechtspersoon is en daarmee onderworpen aan het dwingendrechtelijk regime van Boek 2 BW, zijn de civiel-juridische bepalingen waaraan een coöperatie moet voldoen, flexibeler dan de bepalingen die gelden voor de kapitaalvennootschappen. Dit heeft (onder andere) te maken met het feit dat het verenigingsrecht dat op de coöperatie van toepassing is voor een groot deel regelend van aard is. Daarnaast is de wettelijke regeling van de coöperatie (titel 2.3 BW) ook aanzienlijk beknopter dan die van de kapitaalvennootschappen. Dit heeft onder andere tot gevolg dat de beheersstructuur zoals deze in de maatschap van beroepsbeoefenaren gangbaar is, binnen de rechtsvorm van de coöperatie op eenzelfde wijze kan worden vormgegeven. Het ‘bestuur’ van de maatschap is ‘bestuur’ van de coöperatie, de vennotenvergadering is algemene vergadering (van leden); de bevoegdheidsverdeling blijft hetzelfde. Ook de wijze waarop binnen een maatschap vorm wordt gegeven aan de zeggenschapsverhouding kan binnen een coöperatie nagebootst worden. Er bestaat veel vrijheid om deze verhouding naar wens in te richten en het stemrecht van een lid in de ledenvergadering zal, net als bij de maatschap, geheel losstaan van zijn ‘aandeel’ in het vermogen van de coöperatie. Zoals hiervoor besproken is dit bij de NV niet aan de orde.
De orgaanstructuur van en de zeggenschapsverhoudingen binnen de BV zijn wel flexibeler in te richten dan die van de NV, maar waar de BV onderworpen blijft aan (dwingendrechtelijke) regels hieromtrent (zie onder andere artikel 2:225, 2:220 en 2:239 lid 4 BW), zijn dergelijke regels voor een coöperatie niet in de wet terug te vinden. Een ander aspect dat de coöperatie aantrekkelijker (en flexibeler) maakt dan de kapitaalvennootschappen, is dat zij geen in aandelen verdeeld kapitaal heeft en een bepaalde wijze van financieren geen voorwaarde is voor haar bestaan. Ook geldt er geen dwingendrechtelijke kapitaalbeschermingsregeling voor de coöperatie. Wel zullen beroepsbeoefenaren uiteraard zorg dienen te dragen voor een adequate kredietwaardigheid van het coöperatieve verband. Wat betreft de invulling hiervan bestaat (dus) echter veel vrijheid. Een laatste voordeel van de coöperatie ten opzichte van de kapitaalvennootschappen is dat uittreding in de meeste gevallen makkelijker zal zijn. In de NV en de BV heeft een aandeelhouder weliswaar niet de plicht om te blijven,1 maar ook niet – zoals voor een lid van de coöperatie wel geldt2 – het recht om uit te stappen. Bovendien moet een aandeelhouder altijd maar afwachten of er een mogelijkheid bestaat om zijn aandelen aan iemand (inclusief de vennootschap) over te dragen. Ten opzichte van de maatschap is de coöperatie bovendien flexibeler op het gebied van herstructureringsmogelijkheden.
Een nadeel aan de coöperatie ten aanzien van de flexibiliteit is haar wettelijke omschrijving (artikel 2:53 BW). Omdat de coöperatie van oorsprong niet gericht is op beroepsuitoefening betekent dit dat in de praktijk soms gezocht zal moeten worden naar een manier waarmee op de juiste manier invulling kan worden gegeven aan het doel van de coöperatie (‘het voorzien in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden’) en de inhoud van de ledenovereenkomsten in het kader van de gezamenlijke beroepsuitoefening.
Wat betreft continuïteit en rechtszekerheid is de coöperatie gelijkwaardig aan de kapitaalvennootschappen. De continuïteit van het samenwerkingsverband is vanwege haar rechtspersoonlijkheid en de daarmee samenhangende regelgeving gewaarborgd en dezelfde regelgeving geeft bescherming voor zowel de betrokkenen als derden.