Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.4.1:1.4.1 De aansprakelijkheid van een bezitter van een opstal
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.4.1
1.4.1 De aansprakelijkheid van een bezitter van een opstal
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489127:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In de eindtekst werd dit lid 3. Naar huidig recht is het lid 4 van artikel 6:174 BW.
Zie lid 4 van art. 6.3.12 O.M.
Zie MvA II, PG Boek 6, p. 760.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Waarop ziet de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW? Vast staat dat het niet ziet op zaken die op grond van art. 3:4 BW bestanddeel zijn van een andere (onroerende) (hoofd)zaak. De indirecte vereniging zou in dat geval een dode letter zijn. Bij bestanddeelvorming verliest het bestanddeel zijn zelfstandigheid en volgt het de hoofdzaak. Het bestanddeel wordt als het ware omvat door het onroerende karakter van de hoofdzaak. Voor deze situatie is geen aparte regeling nodig.
Onderzoek naar de herkomst van de indirecte vereniging van 3:3 BW leidt naar de Parlementaire Geschiedenis bij art. 6.3.2.7 (het huidige 6:174 BW): de aansprakelijkheid van de bezitter van een opstal. Maar dit keer, naar lid 4 van ontwerpartikel 6.3.2.7.1 Aanvankelijk luidde dit: ‘onder opstal wordt in dit artikel verstaan met de grond verenigde gebouwen en werken’.2 In de eindtekst werd hier de indirecte vereniging aan toegevoegd: ‘gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken’. Over deze toevoeging is de Toelichting kort:
“Het derde lid van het onderhavige artikel komt overeen met het oorspronkelijke artikel 6.3.12 lid 4, met dien verstande dat thans rekening is gehouden met het feit dat werken soms niet rechtstreeks met de grond verenigd zijn, maar met een gebouw of werk dat met de grond verenigd is; men vergelijke het geval, berecht door H.R. 21 juni 1974, N.J. 1975, 17. De verruiming die inmiddels in het gewijzigde ontwerp van Boek 5 in artikel 5.8.1 is aangebracht, brengt mee dat zodanige werken niet steeds bestanddeel van dit gebouw of werk behoeven te zijn.”3
Uit deze enigszins cryptische formulering blijkt de reden achter de indirecte vereniging tweeledig te zijn: enerzijds wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 21 juni 1974 (Kraanbalkarrest). Daarnaast wordt de verruiming in het gewijzigd ontwerp van Boek 5 betreffende het opstalrecht genoemd.