Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/V.21.3.8
V.21.3.8 Financiële genoegdoening
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377682:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. paragraaf 7.2.1. Het gaat dan om de vraag of intrekking vanwege onrechtmatigheid van de beschikking aangemerkt kan worden als erkenning van de onrechtmatigheid door het bestuursorgaan, welke een uitzondering op de leer van de formele rechtskracht oplevert. Meer specifiek bestaat discussie over de vraag of een voornoemde intrekking na het verstrijken van de bezwaar- en beroepstermijnen nog kan leiden tot een uitzondering op de formele rechtskracht.
Zie paragraaf 7.2.2.
Deze bepaling luidt: ‘Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, vergoedt het bestuursorgaan de schade die de subsidie-ontvanger lijdt doordat hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou hebben gedaan.’
Vgl. § 48 lid 3 VwVfG en § 49 lid 6 VwVfG.
Vgl. art. III-36 lid 3 sub 3 voor de situatie waarin een besluit wordt ingetrokken ter voorkoming van ernstige schade.
Vgl. Den Ouden en Tjepkema 2010, p. 172-173, Dieperink 2003, p. 79 en Ortlep 2011, p. 559.
Kamerstukken II 2010/11, 32621, nr. 3, p. 13-14.
Vgl. art. 4:126 lid 1 Awb.
Onder omstandigheden dient de geadresseerde van de intrekkingsbeschikking financieel te worden gecompenseerd voor schade die ten gevolge van de intrekking van een beschikking wordt geleden. In paragraaf 7.2 is daarvoor de term financiële genoegdoening gebruikt, omdat een vergoeding zowel de vorm van schadevergoeding als van nadeelcompensatie kan hebben. Het aansprakelijk stellen van een bestuursorgaan wegens onrechtmatig overheidshandelen is onder omstandigheden lastig vanwege de leer van de formele rechtskracht. De Afdeling bestuursrechtspraak is namelijk van mening dat de intrekking van een beschikking wegens onrechtmatigheid daarvan, geen erkenning van onrechtmatigheid oplevert, indien intrekking geschiedt nadat een beschikking onherroepelijk is geworden.1 Financiële genoegdoening kan voorts worden toegekend in de vorm van nadeelcompensatie op grond van het égalitébeginsel.
In algemene zin is bij het al dan niet voorzien in een financiële genoegdoening van belang in hoeverre de geadresseerde mocht vertrouwen op het (ongewijzigd) in stand blijven van de beschikking. Een en ander blijkt bijvoorbeeld uit de rechtspraak.2 Voorts kan worden gewezen op art. 4:50 lid 2 Awb inzake de intrekking van de beschikking tot subsidieverlening.3 Ook in het Duitse recht4 en de Model Rules5 vormt het vertrouwen van de geadresseerde van de beschikking het aanknopingspunt. Het gerechtvaardigd vertrouwen van de geadresseerde vormt daarom een goede maatstaf voor de vraag of de geadresseerde in aanmerking komt voor financiële genoegdoening.6 Mede om die reden valt een aparte bepaling inzake financiële genoegdoening waarin wordt aangeknoopt bij het gerechtvaardigd vertrouwen van de geadresseerde te overwegen.
Inmiddels bevat de Awb in titel 8.4 algemene bepalingen omtrent schadevergoeding. Ook zal op termijn titel 4.5 Awb inzake nadeelcompensatie in werking treden. De grondslag voor toekenning van nadeelcompensatie wordt gevormd door het égalitébeginsel. Deze grondslag is volgens de wetgever gekozen vanwege het feit dat dit beginsel in de praktijk de belangrijkste en de meest uitgekristalliseerde grondslag is.7 De vraag is in hoeverre nog een noodzaak bestaat om in een algemene regeling omtrent intrekking een bepaling inzake financiële genoegdoening op te nemen. Bezien vanuit het oogpunt van uniformiteit verdient aansluiting bij de algemene bepalingen uit titel 8.4 en (indien in werking getreden) titel 4.5 Awb de voorkeur. Wat betreft nadeelcompensatie heeft de wetgever voorts de verwachting uitgesproken dat het égalitébeginsel in de praktijk in het gros van de gevallen de grondslag zal vormen voor een vordering tot nadeelcompensatie, met als gevolg dat aan andere grondslagen voor compensatie geen behoefte meer zal bestaan.8 Daarbij komt dat elementen van vertrouwen ook terug te vinden zijn in de égalité, bijvoorbeeld in het kader van risicoaanvaarding. Bij nadere overweging wordt daarom op dit moment volstaan met aansluiting bij de bepalingen van titel 8.4 en (de toekomstige) titel 4.5 Awb. Daarbij wordt het volgende opgemerkt. Art. 4:126 Awb betreft het zogenaamde wettelijk zuiver nadeelcompensatiebesluit.9 De bevoegdheid tot intrekking zoals opgenomen in de hier voorgestelde regeling betreft een discretionaire bevoegdheid. Het bestuursorgaan dient daarom, alvorens tot intrekking over te gaan, een belangenafweging te maken. Wanneer blijkt dat intrekking van een beschikking onevenredig is, bijvoorbeeld gelet op het gerechtvaardigd vertrouwen van de geadresseerde, kan een onzuiver schadebesluit worden genomen. Invoering van titel 4.5 Awb laat deze mogelijkheid immers onverlet.