Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/V.21.3.5
V.21.3.5 Gronden voor intrekking
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS380196:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Ontleend aan art. 4:48 lid 1 aanhef en onder c Awb. Gekozen is om aan te sluiten bij de reeds in de Awb gebruikte terminologie.
Ook wel aangeduid als de kennelijk onjuiste beschikking.
Vgl. deel III van dit boek.
Vgl. Den Ouden 2010, p. 708-709.
Gekozen is voor de term geadresseerde, ondanks dat dit in Awb-context geen gangbare term is. Een andere optie zou zijn het begrip ‘aanvrager’, zij het dat daardoor alle ambtshalve verleende beschikkingen buiten deze regeling zouden vallen. Door gebruik van de term geadresseerde is duidelijk dat het gaat om degene tot wie de beschikking zich richt.
Zie ook Ortlep 2011, p. 561. Zie ten aanzien van Europese subsidies Van den Brink 2012, p. 883-884.
Deze bepaling luidt: ‘Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in, voor zover: […] de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie dat vereist.’ Zie voor andere voorbeelden Ortlep 2011, p. 561.
Zie ten aanzien van een algemene grondslag voor de intrekking van Europese subsidies Van den Brink 2012, p. 640, 861, 883-884. Zij stelt een Wet inzake Europese subsidies voor, waarin de volgende bepaling is opgenomen: ‘Het bestuursorgaan dat is belast met de verstrekking van Europese subsidies en de daarbij behorende nationale cofinanciering is gehouden besluiten tot verstrekking van Europese subsidies en de nationale cofinanciering in te trekken, indien de Europese subsidieregelgeving daartoe verplicht.’ Zij benadrukt daarbij dat op die manier bij de ontvanger van de betreffende subsidie niet de suggestie wordt gewekt dat hij wordt beschermd door de bepalingen van de subsidietitel van de Awb. Zie voorts Van den Brink 2012, p. 916-917. In aansluiting daarop stelt zij, mijns inziens terecht, onder meer dat het nodig is dat Europese subsidieregelgeving wordt verduidelijkt, in die zin dat daarin wordt aangegeven in welke gevallen een Europese subsidie kan worden ingetrokken.
Zoals gezegd dient een regeling inzake intrekking de gronden voor intrekking te bevatten. Voor opneming in een algemene regeling lenen zich mijns inziens de volgende gronden:
De geadresseerde heeft onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou tot een andere beschikking op aanvraag hebben geleid1
De beschikking is anderszins in strijd met het recht gegeven
De geadresseerde wist of behoorde te weten dat de beschikking in strijd met het recht is verleend2
De geadresseerde wist niet en behoorde ook niet te weten dat de beschikking in strijd met het recht is verleend
De geadresseerde heeft gehandeld in strijd met
De beschikking
De voorschriften die aan de beschikking zijn verbonden
Algemene regels die zijn gesteld bij of krachtens de wet waarop de beschikking steunt
Veranderde omstandigheden, anders dan aan de zijde van de geadresseerde van de beschikking
Ten aanzien van de onder nummer 2 genoemde grond moet worden opgemerkt dat uit de bestudering van de bijzondere wetten3 is gebleken dat daarin niet steeds een dergelijke grond voor intrekking is neergelegd. Meer specifiek vindt men intrekking wegens onrechtmatigheid van de beschikking, anders dan ten gevolge van door de geadresseerde verstrekte onjuiste of onvolledige gegevens, slechts terug in regelingen waarin financiële beschikkingen (zoals subsidies en diverse uitkeringen) zijn neergelegd. Mijns inziens betekent dat niet dat een dergelijke grond zich niet leent voor opneming in de Algemene wet bestuursrecht. Immers, zoals eerder aangegeven is gekozen voor een discretionaire bevoegdheid tot intrekking, zodat per geval een belangenafweging zal moeten worden gemaakt. Onrechtmatigheid van de beschikking leidt dus niet steeds tot intrekking. Daarbij komt dat wanneer de bijzondere wetgever van oordeel is dat ten aanzien van een bepaald type beschikking intrekking vanwege onrechtmatigheid (anders dan als gevolg van onjuiste of onvolledige door de geadresseerde verstrekte gegevens) in het geheel niet wenselijk is, hij van de algemene regeling kan afwijken, mits voldoende gemotiveerd. Voorts wordt bij onrechtmatigheid van de beschikking nogal eens een geïmpliceerde bevoegdheid tot intrekking aanvaard wanneer in de bijzondere wettelijke regeling niets over intrekking is bepaald. Ook hier zou een dergelijke intrekkingsgrond een toegevoegde waarde kunnen hebben met het oog op de rechtszekerheid.
Wat betreft nummer 4 geldt dat een beperking is aangebracht in die zin dat enkel gewijzigde omstandigheden anders dan aan de zijde van de geadresseerde kunnen leiden tot intrekking. Daaronder kan mede worden verstaan gewijzigde beleidsinzichten. Weliswaar kunnen ook de omstandigheden aan de zijde van de geadresseerde in bepaalde gevallen leiden tot intrekking, zij het dat dergelijke omstandigheden zo divers zijn en zo sterk afhangen van bijvoorbeeld de eisen die in de bijzondere wet aan de (geadresseerde van de) beschikking worden gesteld, dat een en ander zich niet leent voor opneming in een algemene regeling inzake intrekking.4 Voorts geldt dat deze grond moet worden gezien in samenhang met de bijzondere wettelijke regeling. Deze regeling moet het bestuursorgaan voldoende (beleids)ruimte laten om ook op deze gronden tot intrekking over te gaan. Een parallel kan hierbij worden getrokken met bijvoorbeeld art. 4:51 Awb, waarin ten aanzien van subsidies een soortgelijke bepaling is opgenomen. Beëindiging van een langdurige subsidierelatie is op grond van deze bepaling slechts toegestaan voor zover de achterliggende subsidieregeling hiervoor ruimte laat. Voorts kan worden gewezen op § 49 lid 2 aanhef en onder nrs. 3 en 4 VwVfG, waarin ook een koppeling wordt gemaakt naar de bijzondere wet. In de algemene regeling zou aldus, naar Duits voorbeeld, een zinsnede kunnen worden opgenomen, waarin een relatie wordt gelegd met de achterliggende wettelijke regeling.
Tekst conceptbepaling:
‘Het bestuursorgaan dat bevoegd is een beschikking te geven, kan deze intrekken, indien:
de geadresseerde onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op aanvraag zou hebben geleid;
de beschikking anderszins in strijd met het recht is gegeven en de geadresseerde dit wist of behoorde te weten;
de beschikking anderszins in strijd met het recht is gegeven en de geadresseerde dit niet wist of behoorde te weten;
de geadresseerde heeft gehandeld in strijd met:
de beschikking zelf;
de aan de beschikking verbonden voorschriften;
algemene regels die zijn gesteld bij of krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de beschikking is gegeven;
sprake is van veranderde omstandigheden, anders dan aan de zijde van de geadresseerde van de beschikking, tenzij de aard van de beschikking of de wettelijke regeling op grond waarvan de beschikking is gegeven zich tegen intrekking verzet;5
Een heikel punt betreft de vraag of een grond voor intrekking moet worden opgenomen voor de situatie waarin het Unierecht tot intrekking verplicht. In het voorgaande bleek dat bijvoorbeeld wanneer sprake is van onverenigbare staatssteun het HvJ EU zeer streng is en dat eigenlijk nagenoeg steeds tot terugvordering moet worden overgegaan. Niet altijd bevat het nationale recht echter een grondslag daartoe. Hetzelfde geldt ingeval een verplichting tot terugvordering bestaat van ten onrechte verstrekte subsidies. Soms ontbreekt een grondslag in het nationale recht in het geheel, in andere gevallen bestaat er weliswaar een grondslag, maar blijkt deze niet te kunnen worden toegepast, omdat het nationale vertrouwensbeginsel daaraan in de weg staat. Het ‘gemodificeerd’ toepassen van reeds bestaande intrekkingsbepalingen zoals dat gebeurt in het Duitse recht, komt de rechtszekerheid mijns inziens niet ten goede. Het lijkt daarom zinvol om in algemene zin te bepalen dat wanneer het Unierecht daartoe verplicht, een beschikking wordt ingetrokken.6 Een voorbeeld van een dergelijke bepaling biedt art. 2.33 lid 1 aanhef en onder a Wabo.7 Ook het Wetsvoorstel terugvordering staatssteun is reeds genoemd. Om een grondslag te bieden die in bredere zin kan worden toegepast, zou in een algemene regeling inzake intrekking van beschikkingen een bepaling kunnen worden opgenomen inzake intrekking wegens een Unierechtelijke verplichting daartoe.
Om te voorkomen dat discrepantie ontstaat tussen de eisen die het Unierecht stelt en de algemene regeling inzake intrekking, moet expliciet worden bepaald dat de intrekking moet voldoen aan de eisen die het Unierecht stelt.8 Een en ander komt de rechtszekerheid ten goede doordat wordt benadrukt dat in een dergelijk geval een ander kader geldt dan in een louter nationale situatie. Een situatie zoals in het Duitse systeem wordt daardoor voorkomen.
Tekst conceptbepaling
‘Het bestuursorgaan dat bevoegd is een beschikking te geven, trekt deze beschikking in, indien hiertoe een verplichting bestaat op grond van het recht van de Europese Unie. Deze bevoegdheid wordt uitgeoefend overeenkomstig de eisen die het recht van de Europese Unie hieraan stelt.’