Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.5.1
3.5.1 De opvatting over deze verhouding in de literatuur
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS484307:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/67; Snijders & Rank-Berenschot 2012, Goederenrecht, nr. 36; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 12; H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 37; J.E. Fesevur, Goederenrechtelijke colleges, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2005, p. 41.
H.A.G. Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1994, p. 9.
K.J.H. Hoofs, Doorbreking van de natrekking in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Maastricht), Nijmegen: Wolf Legal Publishers, 2013, p. 77.
MvA II, PG Boek 3, p. 75.
Dit is ook de heersende opvatting in de literatuur. Zie o.m.: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/67; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht nr. 12 en J.E. Fesevur, Goederenrechtelijke colleges, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1997, p. 45.
TM, PG Boek 3, p. 72.
Vgl. J.A. Bos, ‘Niet gesplitst, maar toch gescheiden: de zelfstandigheid van grond en opstal’, BR 2004, afl. 7, p. 584-591.
Verschillende auteurs hebben zich uitgesproken over de relatie tussen de twee leden van art. 3:4 BW. Hoewel in veel gevallen beide criteria zullen samenlopen, is de heersende leer dat iets bestanddeel is, indien het op grond van één van beide criteria van art. 3:4 BW als bestanddeel is aan te merken.1
Enkele auteurs lijken echter het primaat toe te kennen aan de verkeersopvatting van lid 1. Fikkers baseert dit op de volgorde van de plaatsing van de twee criteria in de wet, welk argument mij niet kan overtuigen.2 Ook Wolfert is van mening dat de verkeersopvatting prevaleert.3 Zij ziet art. 3:4 lid 2 als een soort aanwijzing van wat de verkeersopvatting van lid 1 inhoudt.
Hoofs stelt dat het verbondenheidscriterium van lid 2 een nadere invulling is van de verkeersopvatting, nu bij het beoordelen van de beschadiging partijen terug zullen vallen op de verkeersopvatting.4
De Parlementaire Geschiedenis laat mijns inziens weinig twijfel bestaan over de verhouding tussen 3:4 lid 1 en lid 2 BW:
“Het tweede lid stelt buiten twijfel dat hetgeen op de daar aangewezen wijze aan een (hoofd)zaak is verbonden, steeds bestanddeel van die (hoofd)zaak is. Hier wordt de ruimte welke het eerste lid aan de verkeersopvatting toestaat dus niet verleend. Deze ruimte zou voor aard- of nagelvaste onderdelen ongewenst zijn.”5
Kortom: iets is een bestanddeel als het óf op grond van de verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt óf als twee zaken zodanig met elkaar zijn verbonden dat zij één geheel vormen. Deze criteria gelden niet cumulatief, maar alternatief.6 Of zoals Meijers het stelt in zijn Toelichting bij art. 3:4 BW:
“wat aard- en nagelvast is, is dus bestanddeel, maar niet ieder bestanddeel is aard- of nagelvast.”7, 8
Maar is dit ook zo?
In het bovenstaande heb ik (bewust) Ploegers mening over de verhouding tussen lid 1 en lid 2 van art. 3:4 BW niet meegenomen. Mijns inziens zit er een tegenstrijdigheid in zijn opvatting hierover, die ik in het navolgende zal bespreken.