Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.11.2.2.2
III.11.2.2.2 Artikel 4:49 Awb (intrekking subsidievaststelling ex tunc)
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382551:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Of, zoals Verheij en Lubberdink stellen: de subsidievaststelling is erop gericht de subsidierelatie af te sluiten. Zie Verheij en Lubberdink 1996, p. 59. Ook in die zin Den Ouden, Jacobs en Verheij 2011, p. 134. Bok plaatst een en ander terecht in het kader van de rechtszekerheid. Zie Bok 2002, p. 156.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 77.
In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat alle in art. 4:49 lid 1 Awb neergelegde intrekkingsgronden ook kunnen worden toegepast indien niet eerst subsidieverlening heeft plaatsgevonden (Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 78). Nu onderdeel a expliciet spreekt over de subsidieverlening vraag ik mij af of een en ander ook geldt indien intrekking op deze grond geschiedt.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 77. Vgl. bijvoorbeeld ABRvS 20 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8835.
Verheij en Lubberdink 1996, p. 59, Den Ouden, Jacobs en Verheij 2011, p. 134 met een verwijzing naar ABRvS 2 augustus 2006, AB 2008/65 m.nt. Verheij en JB 2006/274 (HBO-fraude).
Vgl. de artt. 4:46 lid 2 onder d en 4:48 lid 1 onder d Awb. Beide betreffen de kennelijke onjuistheid van de subsidieverlening. Art. 4:49 lid 1 onder b Awb kan ook worden gebruikt in de situatie waarin subsidievaststelling zonder voorafgaande subsidieverlening plaatsvindt. Vgl. Bok 2002, p. 157 en Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 78.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 78.
Zie hierover bijvoorbeeld ABRvS 30 december 2009, AB 2010/55 m.nt. Den Ouden en JB 2010/46 en ABRvS 19 januari 2011, AB 2011/62.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 78. Zie bijvoorbeeld ABRvS 28 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:911 en ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6007, waarin het een verplichting betrof om gedurende 5 aaneengesloten jaren verzekerd te zijn tegen schade aan gewassen als gevolg van zware regenval. Soms is het niet eenvoudig om vast te stellen of al dan niet sprake is van een voortdurende verplichting. Vgl. ABRvS 12 juni 2013, AB 2013/248 m.nt. Den Ouden en JB 2013/151 m.nt. De Kam.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 8 juni 1995, AB 1995/581 met een kritische noot van Verheij, ABRvS 28 juni 2006, AB 2006/326 m.nt. Den Ouden, ABRvS 18 juli 2007, AB 2007/349 m.nt. Barkhuysen en Den Ouden en JB 2007/169 (Triplewood) en ABRvS 26 januari 2011, JB 2011/ 49 m.nt. De Kam.
Ook hier geldt dat bij de beschikking tot intrekking of wijziging anders kan worden bepaald.
Art. 4:49 lid 3 Awb. Zie bijvoorbeeld ABRvS 8 februari 2012, AB 2012/87 m.nt. Geleijense en Den Ouden. Voor inwerkingtreding van de derde tranche werd ook een langere termijn in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel geacht: ABRvS 4 april 2000, AB 2000/250 m.nt. Verheij.
In art. 4:49 Awb is een drietal gronden neergelegd op basis waarvan de beschikking tot subsidievaststelling ex tunc kan worden ingetrokken. De mogelijkheden tot intrekking zijn beperkter, nu de subsidievaststelling een definitieve aanspraak op de subsidie vestigt.1 In het kader van de vaststelling van de subsidie vindt immers een beoordeling plaats van de verrichte activiteiten, bijvoorbeeld of deze daadwerkelijk zijn verricht en of daarbij gehandeld is conform de opgelegde verplichtingen.2 Wanneer niet is gehandeld conform de subsidieverlening, kan hierop dus bij de vaststelling al worden gereageerd.
In het eerste lid van art. 4:49 Awb is een drietal intrekkingsgronden neergelegd. Op basis van onderdeel a kan de subsidievaststelling worden ingetrokken op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bestuursorgaan bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld.3 De feiten of omstandigheden hoeven zich niet per se te hebben voorgedaan na subsidievaststelling. Bij meer complexe subsidies kan het bijvoorbeeld zo zijn dat pas na vaststelling wordt geconstateerd dat op basis van de verstrekte gegevens een lager bedrag aan subsidie moet worden toegekend.4 Onder deze intrekkingsgrond kan dus ook het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens worden verstaan. Vereist is dan wel dat het bestuursorgaan ten tijde van de vaststelling niet wist of kon weten dat die gegevens onjuist of onvolledig waren omdat het besluit tot subsidievaststelling het primaire toetsingsmoment is.5
Op grond van onderdeel b kan de subsidievaststelling worden ingetrokken indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.6 Het gaat dan om de situatie dat bij de subsidievaststelling een fout is gemaakt, bijvoorbeeld het vaststellen van een subsidie op een hoger bedrag dan volgt uit de subsidieverlening.7 Deze fout moet wel kenbaar zijn voor de subsidieontvanger.8 Tot slot biedt onderdeel c de mogelijkheid een subsidievaststelling in te trekken indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden. Het betreft dan zogenaamde voortdurende verplichtingen.9 Aan deze verplichtingen moet dus ook na subsidievaststelling worden voldaan.10
De intrekking op grond van art. 4:49 Awb heeft volgens het tweede lid van dit artikel in beginsel terugwerkende kracht.11 Voorts is de bevoegdheid tot intrekking gebonden aan een verjaringstermijn: intrekking moet geschieden binnen 5 jaar na bekendmaking van het besluit tot subsidievaststelling, dan wel binnen 5 jaar na de dag waarop een handeling in strijd met een subsidieverplichting is verricht of de dag waarop aan deze verplichting voldaan had moeten zijn.12