Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/7.2.2
7.2.2 Bestanddelen van roerende zaken
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS454450:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Groot, GS Zakelijke rechten, art. 5:3, aant. A (online, laatst bijgewerkt op 1 oktober 2013); Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 496. Zie over het verschil tussen natrekking en bestanddeelvorming voorts Heyman & Bartels 2006; Groefsema, GS Zakelijke rechten, art. 5:14, aant. 1 (online, laatst bijgewerkt op 1 september 2010); Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 40.
Art. 3:4 lid 1 BW; vgl. HR 26 maart 1936, NJ 1936/757 (Sleepboot Egbertha).
Zie Spath 2004.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 58; Fesevur 2005, p. 39; Parl. Gesch. Boek 3, p. 74-75; Wichers 2002, p. 61. Vgl. MünchKommBGB/Stresemann 2012 §90 nr. 14.
Zie Ploeger 1997, nr. 25. Vgl. ook Meiller 2012, nr. 4, 7, 24, 34.
Land 1901, p. 28.
Suijling 1940, nr. 54.
Het Duitse BGB kent een bijzondere regeling voor eigendomsverkrijging van de bijenzwerm. Door sommigen wordt de bijenzwerm gezien als één zaak (Sacheinheit) en door anderen als een samenstel van afzonderlijke zaken, een algemeenheid (Sachgesamtheit), en wordt een uitzondering op het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsprinzip) aangenomen, zie MünchKommBGB/Oechsler 2013 §961 nr. 1; Münch- KommBGB/Stresemann 2012 §90 nr. 15.
Ploeger 1997, nr. 10. Van der Steur 2003, p. 134: “fysieke zelfstandigheid [komt] niet altijd [overeen] met juridische zelfstandigheid.” Vgl. ook Biemans 2007, p. 273, Brecher 1953, p. 36-37, Fikkers 1999, p. 59-60 en Sokolowski 1902, p. 28. Dit onderwerp kwam al eerder aan de orde in paragraaf 2.2.
Land 1901, p. 28.
Het hechte-verbindingscriterium uit art. 3:4 lid 2 kan gezien worden als een concretisering van de verkeersopvatting uit lid 1 voor een speciaal geval: als er voldaan is aan lid 2 zal iets in de ogen van de mens één zaak zijn. Daarnaast kan ook buiten een dergelijke hechte verbinding iets te beschouwen zijn als één zaak. Om te bepalen wanneer dat het geval is, hanteren we lid 1. Zie Wichers 2002, p. 66.
Ploeger 1997, p. 35: “De bestanddelen van de zaak leiden in het maatschappelijk verkeer geen zelfstandig bestaan omdat zij zelfstandig nut ontberen”; Ploeger noemt dit het waardemotief of -criterium, zie Ploeger 1997, nr. 40-41; vgl. Van der Steur 2003, p. 137, 199. Vgl. ook HR 15 november 1991, NJ 1993/316 (Dépex).
Ploeger 1997, nr. 24.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 80; Wichers 2002, p. 16, 121.
Suijling 1940, nr. 54.
Art. 3:109 en 119 BW; Fikkers 1999, p. 56; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 516; Ploeger 1997, nr. 24; Smelt 2003; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 287; Verstijlen 2002; Vriesendorp 1999; Wichers 2002, p. 150.
Dat wil zeggen natrekking, zie Heyman & Bartels 2006; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 40.
Van der Steur 2003, p. 133.
Zie Ploeger 1997, p. 38.
Zie Wichers 2002, p. 7: “[de] rechtszekerheid voor derden vormt, naast die van de rechthebbende, één van de fundamenten van de regeling van art. 5:3 BW en van de uitwerking ervan in art. 5:14, 5:15 en 5:16 BW”; p. 8: “Het economisch verkeer is gebaat bij een regeling op basis waarvan een vlot inzicht in de rechtstoestand van een zaak mogelijk is”; p. 9: “De wetgever heeft zich bij de wetgeving op goederenrechtelijk terrein in het algemeen laten leiden door een zeker pragmatisme”; p. 10: “Wat in het verkeer als één zaak wordt gepercipieerd, is ook juridisch één zaak en object van één recht.” Zie voorts Parl. Gesch. Boek 3, p. 73, 76-80; Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:4, aant. 18 (online, laatst bijgewerkt op 23 juni 2014).
Vgl. Van der Steur 2003, p. 137. Zo schreef Diephuis in 1857 nog dat een algemeenheid een zaak is (Diephuis 3 1857, p. 10, 17), terwijl hij bijna 30 jaar later de algemeenheid niet als zelfstandige zaak en rechtsobject lijkt te beschouwen (Diephuis 1 1885, p. 450 e.v.).
Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 18; Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1025; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 19; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 61; Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:5, aant. 1, 3-4 (online, laatst bijgewerkt op 23 juni 2014). Zie art. 1:88, 165, 175, 4:28, 29, 97 BW. Vgl. ten aanzien van het vruchtgebruik Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 318.
Vgl. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 65-67.
183. De eigenaar van een zaak is eigenaar van al haar bestanddelen. Dit eenheidsbeginsel uit art. 5:3 BW maakt duidelijk dat het eigendomsrecht op een zaak één is. Wordt iets gekwalificeerd als bestanddeel van een zaak, dan zijn zaak en bestanddeel één (art. 3:4 BW) en omvat het eigendomsrecht beide (art. 5:3 BW). Het gaat hierbij niet om één goederenrechtelijk recht op twee objecten – bestanddeel en zaak – maar om één recht op één object – de zaak. Ingevolge art. 3:4 en 5:1 BW is immers niet het bestanddeel, maar de zaak zelfstandig rechtsobject, waarin het bestanddeel opgaat. Art. 5:3 BW maakt vervolgens duidelijk dat het eigendomsrecht op de zaak één is.1
Vanwege het eenheidsbeginsel is het daarmee duidelijk dat op het niveau van bestanddelen het uniciteitsbeginsel geldt: bestanddelen zijn simpelweg geen rechtsobject, maar vormen onderdeel van een groter geheel. Maar is dit geen terminologische versluiering van de kwestie? De motor van een auto is volgens de verkeersopvatting bestanddeel daarvan.2 De motor is dus geen rechtsobject en we kunnen niet zeggen dat het eigendomsrecht van de auto één eigendomsrecht op twee objecten – auto en motor – is. Zodra de motor uit de auto wordt gehaald en wordt vervangen door een nieuwe, is de oude motor echter wél een zelfstandige zaak.3 De motor kan zelfs wanneer deze zich nog in de auto bevindt, bij voorbaat geleverd worden.4 Hadden we dus niet al die tijd al te maken met twee (potentiële) rechtsobjecten, waarop ingevolge art. 5:3 BW één eigendomsrecht rustte? Is hier sprake van een ‘verkapte’ vorm van algemeenheid?
Met name bij de zogenoemde samengestelde zaken wordt dit duidelijk: een zwerm bijen, een pak kaarten, de sleutel die bestanddeel is van het slot en daarmee van het huis, de dop als bestanddeel van de gehele pen, de deksel van een vat, en ga zo maar door. De gedeeltes van dergelijke zaken presenteren zich ook als afzonderlijke onderdelen als een zekere eenheid aan ons, in tegenstelling tot wat genoemd zou kunnen worden de enkelvoudige zaken. Dat zijn zaken uit één stuk, zoals een steen of een dier. Bedacht moet worden dat strikt genomen het onderscheid tussen samengestelde zaken en enkelvoudige zaken in het goederenrechtelijk systeem niet gemaakt wordt en niet van belang is: het enige wat telt is of sprake is van één zaak of meer zaken, en ook enkelvoudige zaken zijn opgebouwd uit stoffelijke deeltjes.5
Dit neemt niet weg dat met name de samengestelde zaak duidelijk maakt dat de scheidslijn tussen algemeenheid, zaak en bestanddeel dun is.6 In het kader van zijn bespreking van algemeenheden van goederen en zaken stapt Land bijvoorbeeld moeiteloos over naar de zaken: “Het kan eindelijk zijn, dat de bestanddelen [van de algemeenheid] zoo weinig individuele betekenis hebben, dat men wel alleen moet spreken van het geheel; b.v. bij een zak graan evenzeer als bij een vat wijn of een klomp goud is alleen de Hoeveelheid object van recht of van rechtshandelingen.”7 Dus waar de algemeenheid geen rechtsobject is, is een bepaalde afgescheiden hoeveelheid graan, dat toch immers ook uit vele afzonderlijke korreltjes graan bij elkaar bestaat, dat wel.
Suijling zoekt het onderscheid tussen zaak en algemeenheid in het stoffelijke dan wel het economische karakter van de eenheid:
“De practische mensch ziet in het spel kaarten, den bijenzwerm, den zandhoop, de in een fust besloten vloeistof enz. slechts één lichamelijk goed. […] Voor zulke als een stoffelijke eenheid beschouwde massa’s past de benaming van algemeenheid van zaken niet. Daaronder verstaat men veelheden van voorwerpen, die, elk voor zich een zelfstandige zaak vormend, om hunne gemeenschappelijke gelijke bestemming als economische eenheid aangemerkt en met een verzamelnaam aangeduid worden. De boekerij, de kudde, de muntenverzameling zijn typische voorbeelden van zulke feitelijke algemeenheden van zaken.”8
Het onderscheid tussen een stoffelijke en economische eenheid overtuigt naar mijn mening niet. Waarom immers een bijenzwerm en een pak kaarten zien als een stoffelijke eenheid en niet als afzonderlijke bijen en afzonderlijke kaarten, elk een stoffelijke eenheid vormend?9 Sterker nog, waarom de grens trekken bij de afzonderlijke bij en kaart? Die stoffelijke eenheden zijn immers ook weer opgebouwd uit kleinere eenheden – moleculen, atomen en uiteindelijk de elementaire deeltjes. De grens tussen bestanddeel en zaak is dus vanuit het oogpunt van ‘stoffelijkheid’ in wezen net zo arbitrair als die tussen zaak en algemeenheid. Het onderscheid tussen een bestanddeel, zaak en algemeenheid berust niet (uitsluitend) op de fysieke werkelijkheid.10
Wat meer overtuigt, is de verwijzing naar de “practische mensch” door Suijling. Zie ook het citaat van Land dat ik zojuist gaf:11 een bestanddeel heeft te weinig individuele betekenis; een zaak daarentegen heeft individuele betekenis, ook los van zijn rol binnen de algemeenheid. Een bij is wellicht in zekere zin te beschouwen als afzonderlijke stoffelijke eenheid, maar dat is weinig zinvol, omdat de bij opgaat in de zwerm. Daarentegen vindt men het wél zinvol een dier uit een kudde als afzonderlijke eenheid te beschouwen, los van de kudde. Om een meer hedendaags voorbeeld te nemen: een X aantal liter olie dat zich in een tank bevindt, vermengd met vele andere liters, is van weinig praktisch nut zolang die hoeveelheid niet van de rest afgescheiden wordt. Een vrachtwagen die deel uitmaakt van een vrachtwagenpark heeft daarentegen ook op zichzelf beschouwd economische betekenis. Art. 3:4 BW geeft dan ook het criterium van de verkeersopvatting.12 Op die manier worden de zaken de kleinste stoffelijke objecten waarvan het in het rechtsverkeer zinvol is ze als object te zien.13
184. Maar wat betekent dit nu eigenlijk? Het gevolg van deze indeling is dat men van de stoffelijke eenheden die minder betekenisvol zijn dan zaken, gemakkelijker de eigendom kan verliezen dan van zaken.14 Zo zal ik, wanneer mijn onder eigendomsvoorbehoud geleverde auto-onderdelen in de fabriek in auto’s gemonteerd worden, daarvan de eigendom verliezen wanneer zij bestanddeel van die auto’s worden (art. 5:14 lid 1 BW). Dit wordt gerechtvaardigd doordat de auto de ‘hoofdzaak’ is; de regeling van natrekking en vermenging uit art. 5:14 en 15 BW sluit daarbij aan. Doel van die regeling is een duidelijk en eenvoudig handelsverkeer.15
Zet ik echter een zaak, die als afzonderlijk stoffelijk geheel een betekenis heeft los van het grotere geheel, bij andere zaken, dan verlies ik daarvan niet de eigendom. “Dat een nieuwe zaak in een algemeenheid wordt opgenomen, doet den eigenaar dier zaak dan ook geen recht verliezen.” 16 Een boek dat ik in de openbare bibliotheek heb achtergelaten, blijft mijn boek; een koe die overloopt naar de kudde van een ander, blijft mijn koe; mijn zaken die ik onder eigendomsvoorbehoud heb geleverd aan een ondernemer, blijven mijn zaken, ook al worden ze opgenomen in diens voorraad. In het laatste geval kan ik hoogstens te maken krijgen met een bewijsprobleem, indien sprake is van de situatie die oneigenlijke vermenging wordt genoemd.17 Praktisch gezien natuurlijk even nadelig, maar theoretisch gezien leidt het plaatsen van zelfstandige zaken in de ruimtelijke nabijheid van andere zelfstandige zaken niet tot eigendomsverlies, terwijl dat bij bestanddeelvorming18 wel het geval is.
De reden dat de grens van een zelfstandige zaak bij de verkeersopvatting wordt getrokken, is gelegen in de wens van de wetgever om het verkeer van goederen te faciliteren. Dit wordt in de wetgeschiedenis niet uitdrukkelijk met deze woorden gezegd, maar blijkt uit het feit dat de wetgever heeft gestreefd naar rechtszekerheid, waarborging van de belangen van derden (schuldeisers en verkrijgers) en flexibiliteit van de regeling. Het streven naar rechtszekerheid houdt in dat er een regeling moet zijn – welke dan ook – waar derden op af mogen gaan. De belangen van schuldeisers worden gewaarborgd door aan te sluiten bij wat zij in de praktijk – naar de in het verkeer geldende opvattingen – beschouwen als één geheel.19 Kennelijk acht men in die gevallen het belang van de verkrijger en schuldeiser bij duidelijkheid omtrent de omvang van zijn rechtsobject of verhaalsobject – het belang van een vlot en soepel handelsverkeer – groter dan het belang van de voormalige eigenaar van het nagetrokken bestanddeel bij zijn eigendom.20 Het criterium van de verkeersopvatting zorgt hierbij voor flexibiliteit door de jaren heen; wat nu een zaak is, is dat over 30 jaar wellicht niet meer.21 Het is zeer wel mogelijk dat in de toekomst zaak is, wat wij nu als algemeenheid van zaken zien en vice versa.22
185. Bijzondere vermelding verdient hier nog de inboedel. Bij de inboedel uit art. 3:5 BW zou de indruk kunnen ontstaan dat het hier gaat om één recht op meerdere goederen en dus om een inbreuk op het uniciteitsbeginsel. Dat is echter geenszins het geval. De bepaling van art. 3:5 BW is slechts een definitie die dient ter nadere invulling van enkele bepalingen uit Boek 1 en 4 BW.23
186. Wat leert het voorgaande ons nu over het uniciteitsbeginsel? Tussen (samengestelde) zaken en een algemeenheid van goederen of zaken bestaat geen principieel, maar slechts een gradueel verschil. Het is de verkeersopvatting die bepaalt of we te maken hebben met één zaak of meerdere zaken, omdat de verkeersopvatting uiteindelijk leidend is bij het bepalen of een stoffelijk gedeelte van de werkelijkheid bestanddeel is van een ander gedeelte.24 Dat in sommige gevallen meerdere zich als fysieke eenheid aan ons presenterende gedeeltes van de werkelijkheid, of potentieel zelfstandige zaken, tezamen gezien worden als één zaak, is een aanwijzing dat de notie van uniciteit niet in alle gevallen even belangrijk is.