Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht
Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/7.2.1:7.2.1 Inleiding
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/7.2.1
7.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS456834:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Heyman & Bartels 2006; Van der Plank 2012, par. 5.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
182. Een zelfstandige zaak kan door bestanddeelvorming onderdeel uit gaan maken van een andere zaak en ‘onder’ het eigendomsrecht van die laatste zaak ‘komen te vallen’. Hoe moet dit geduid worden vanuit het uitgangspunt van uniciteit dat in het Nederlandse recht is neergelegd? Is daarbij niet toch sprake van één recht op meer dan één object tezamen? Het bestanddeel was immers eerst een zelfstandige zaak. Deze kwestie komt aan bod in paragraaf 7.2.2. In pararaaf 7.2.3 stel ik vervolgens een discussie uit de Nederlandse rechtsliteratuur aan de orde waarin de vraag centraal staat of gebouwen (en werken en beplantingen) gezien moeten worden als bestanddeel van de grond, of als zelfstandige zaken. In die discussie is het uniciteitsbeginsel namelijk (uiteraard niet in die termen) genoemd als argument,1 en afhankelijk van welke opvatting men verdedigt, doet zich in die situatie een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voor.
Ten slotte ga ik in paragraaf 7.2.4 in op het Duitse recht, waarin sommige rechten als bestanddeel van onroerende zaken worden bestempeld. Ook daar kan de vraag gesteld worden of sprake is van één recht op meerdere objecten tezamen.