Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/7.3.4
7.3.4 Scheeps- en appartementstoebehoren
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS450864:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 1970/71, 10987, nr. 3, p. 11-12 (MvT).
Zie Asser/Japikse 7-I 2004, nr. 29; Bartels & Timmerman 2006.
Voor voorrechten staat dit niet expliciet in de wet, maar het wordt aangenomen dat de mogelijkheid van afwijking krachtens beding voor voorrechten evenzeer geldt als voor hypotheek: Asser/Japikse 8-II* 2012, nr. 196.
Asser/Japikse 7-I 2004, nr. 34; Asser/Japikse 8-II* 2012, nr. 78, 81; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 269; Bartels & Timmerman 2006. Overigens spreken de genoemde artikelen niet van (scheeps)toebehoren en het hoeft daar dus niet noodzakelijkerwijs scheepstoebehoren in de zin van art. 8:1 lid 4 BW te betreffen, zie Asser/Japikse 7-I 2004, nr. 34; Asser/Japikse 8-II* 2012, nr. 79, 194. Mutatis mutandis geldt daarvoor echter hetzelfde als ik hier bespreek ten aanzien van het scheepstoebehoren.
Genève 25 januari 1965, Trb. 1966, 228; Asser/Japikse 8-II* 2012, nr. 2.
Vgl. Kortmann 1988, p. 712.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 87.
Bergervoet, GS Vermogensrecht, art. 3:83, aant. 27.2.1 (online, laatst bijgewerkt op 1 juni 2012); Parl. Gesch. Boek 3, p. 315.
Aldus ook Bartels & Timmerman 2006.
199. Zoals gezegd bestaat in het Nederlandse recht de hulpzaak uit het oude BW niet meer, maar leeft dit type zaak onder het huidige recht voort in het toebehoren bij schepen en appartementsrechten. Het toebehoren lijkt op de immeubles par destination uit het Franse recht en het Zubehör uit het Duitse recht.
200. Uit art. 5:106 lid 1 blijkt dat een recht op een gebouw met toebehoren gesplitst kan worden. Het gaat dan om het betrekken in één appartementensplitsing van zowel een registergoed als het (roerende) toebehoren (“ten nutte van het gebouw of erf bestemde zaken”).1 Door de splitsing ontstaat een gemeenschap, waarbij de rechten op de afzonderlijke goederen worden getransformeerd in appartementsrechten. Het appartementsrecht kan in een dergelijk geval gezien worden als één recht op meerdere (aandelen in) goederen. Ik kom hier in paragraaf 8.2.1 nog uitgebreid op terug, wanneer ik het splitsen van een groep gebouwen in appartementsrechten bespreek.
201. In art. 8:1 lid 4 BW wordt bepaald wat scheepstoebehoren zijn. Dat zijn zaken die geen bestanddeel zijn van het schip maar die wel bestemd zijn om het schip duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig te herkennen zijn, alsmede de navigatie- en communicatiemiddelen die zodanig met het schip zijn verbonden dat zij daarvan afgescheiden kunnen worden zonder dat beschadiging van betekenis aan hen of aan het schip wordt toegebracht. Van de scheepstoebehoren wordt expliciet bepaald dat zij geen bestanddeel zijn. Het betreft dus zelfstandige zaken, maar in lid 5 wordt bepaald dat behoudens afwijkende bedingen het scheepstoebehoren tot het schip wordt gerekend. Dat wil zeggen dat de eigendom van het schip in beginsel de eigendom van het scheepstoebehoren omvat.2
Hypotheekrechten op het schip omvatten (behoudens afwijkende bedingen) mede het scheepstoebehoren, indien de eigenaar van het schip ook eigenaar van het toebehoren is (art. 8:203 jo. 10 en 8:793 BW). Kortom, het scheepstoebehoren behoort, behoudens afwijkend beding, toe aan de eigenaar van het schip (art. 8:1 lid 5 BW) en indien een dergelijk afwijkend beding niet is gemaakt en zowel schip als toebehoren aan dezelfde eigenaar toebehoren, dan omvat de hypotheek op het schip het toebehoren. En ook dat weer behoudens afwijkend beding (art. 8:203 en 793 BW). Ook voorrechten strekken zich over het toebehoren uit indien de eigenaar van het schip eigenaar van het toebehoren is, behoudens afwijkend beding3 (art. 8:214 onder a jo. 10 en 824 onder a BW).4
Uit het vereiste dat de eigenaar van het schip ook eigenaar van het toebehoren moet zijn, wil de hypotheek het toebehoren omvatten, volgt dat indien de eigenaar het toebehoren vervreemdt, de hypotheek niet meer het toebehoren omvat. De hypotheek op het toebehoren heeft dus geen zaaksgevolg, net als in het Franse recht (zie paragraaf 7.3.2). Aan de genoemde voorrechten daarentegen is zaaksgevolg verbonden, zie art. 8:215 en 825 BW, en zij nemen rang boven het hypotheekrecht (art. 8:204 en 794 BW),5 terwijl deze beide kenmerken nu doorgaans juist niet te zien zijn bij voorrechten (art. 3:279 BW). Het moge duidelijk zijn, dat het systeem van verhaalsrechten uit Boek 8 hiermee in grote mate afwijkt van de algemene regels uit Boek 3. Die afwijking wordt veroorzaakt doordat het Protocol no. 1 bij het Verdrag inzake de inschrijving van binnenschepen bepaalde eisen stelt aan de rechten op binnenschepen en de wetgever dit doorgetrokken heeft naar de regeling van zeeschepen.6 Met deze regeling van de scheepshypotheek en -voorrechten zijn in wezen wettelijke hypotheken (of, in BW-terminologie, is een wettelijk stil pandrecht) het BW binnengeslopen; het scheepstoebehoren is van rechtswege (mee)belast.7
Bij de invoering van het huidige BW is besloten de categorie hulpzaken niet in te voeren. Eén van de redenen die daarvoor werd gegeven, is dat het bezwaarlijk was dat hulpzaken van een verhypothekeerde onroerende zaak niet meer afzonderlijk beslagen en verhypothekeerd konden worden;8 de vrije circulatie van goederen staat in het nieuwe BW voorop.9 Iets vergelijkbaars doet zich nu voor bij het scheepstoebehoren, maar in mindere mate, nu partijen, zoals gezegd, kunnen afwijken van het uitgangspunt dat eigendom, hypotheek en voorrechten mede het toebehoren omvatten. In gevallen waarin niet van dit uitgangspunt wordt afgeweken, doet zich echter een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voor: door het schip over te dragen, gaat de eigendom van het toebehoren mee over; door het schip te bezwaren met hypotheek, valt het toebehoren daar van rechtswege onder; en ook de voorrechten met zaaksgevolg strekken zich van rechtswege uit over het toebehoren. Net zoals te zien was in het Franse en Duitse recht, creëert de wet hier een band die ertoe leidt dat één goederenrechtelijk recht bestaat op zowel schip als toebehoren.10 Wanneer het eigendomsrecht van het schip mede het toebehoren omvat, doet zich op het niveau van de rechten die op het schip rusten, zoals hypotheek, strikt genomen geen uitzondering op het uniciteitsbeginsel voor: het hypotheekrecht rust op één eigendomsrecht.