Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.5.4:3.5.4 Tandartspraktijk
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.5.4
3.5.4 Tandartspraktijk
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS485506:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 mei 1985, NJ 1986/274 (Tandartspraktijk).
HR 29 mei 1985, NJ 1986/274 (Tandartspraktijk), r.o. 4.1.
Zie hierover eveneens: F.J. Vonck, De flexibiliteit van het recht van erfpacht, (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2013, p. 65 en T.H.D. Struycken, De numerus clasus in het goederenrecht, (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2007, p. 460.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de verkeersopvatting bepalend is voor de vraag of een gebouw of werk juridisch een zelfstandige zaak vormt is door de Hoge Raad expliciet bepaald in het Tandartspraktijkarrest.1
In deze zaak was de praktijkruimte van een tandarts verbonden aan zijn woning. Deze praktijk had hij speciaal voor dat doel aan zijn woning gebouwd. De praktijkruimte had een verbindingsdeur naar de woning, maar beschikt over een spoelkeuken, donkere kamer, ontvangstruimte, toiletgroep, trap etc. De tandarts had ten gunste van de BV een recht van vruchtgebruik gevestigd op de praktijkruimte. De vraag die de Hoge Raad uiteindelijk diende te beantwoorden is of het al dan niet mogelijk is om een zakelijk recht (in dezen het vruchtgebruik) te vestigen enkel op de praktijkruimte en onderliggende grond. De rechtbank en het hof beantwoordden deze vraag ontkennend. De Hoge Raad oordeelde:
“Deze en de overige door het hof aangaande de plaatselijke toestand vastgestelde feiten brengen mee dat met betrekking tot het woonhuis en de praktijkruimte sprake is van twee onafhankelijk van elkaar te gebruiken bouwsels, die weliswaar aan een eigenaar toebehoren maar zich naar verkeersopvatting (cursivering PP) lenen voor verticale splitsing door overdracht van de eigendom als afzonderlijke gebouwen en derhalve ook voor vestiging van vruchtgebruik op een daarvan. Aan de overdracht als afzonderlijke zaak van het praktijkgebouw staat met name niet in de weg dat het tegen het woonhuis is aangebouwd en aldus daarmee is verbonden, en evenmin dat zich tussen de praktijkruimte en het woonhuis een verbindingsdeur bevindt.”2
De vraag of er sprake is van horizontale natrekking of dat een verticale splitsing van eigendom plaatsvindt, wordt ook beantwoord aan de hand van de verkeersopvatting.3
Eenzelfde redenering ziet men in een recenter arrest van het Hof Amsterdam.