Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/6.5.3.3
6.5.3.3 Het recht op winst en/of uitkering
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS382895:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2011/12, 32 426, nr. 21, p. 2: “Het wordt aan de vennootschap overgelaten op basis van welk document de uitkering wordt beoordeeld, waarbij het uiteraard voor de hand ligt dat bij de uitkering van winst in het kader van de vaststelling van de jaarrekening de vastgestelde jaarrekening als basis wordt gehanteerd.”
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 233; Van der Grinten 1991, p. 127; Eisma 1991, p. 33; Blanco Fernández & Schwarz 1992, p. 291-292 en Prinsen 2004, p. 133. HR 27 januari 1956, NJ 1956, 48 (Unipart/RDM) en HR 11 januari 1963, NJ 1964, 433, m.nt. G.J. Scholten (RCMA).
Welke aanspraak op winst en/of uitkering de houder van een participatiebewijs heeft, blijkt uit de participatievoorwaarden. Zoals gezegd, biedt de contractsvrijheid een grote mate van vrijheid in inrichting en vormgeving van het recht op winst en uitkering.
Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een vast bedrag op het nominale bedrag van het participatiebewijs, een bepaald percentage, al dan niet cumulatief, of een ‘dividend’ gelijk aan aandeelhouders. Ook is het mogelijk dat een bepaald deel van de winst eerst gereserveerd wordt of dat eerst uitkering aan de aandeelhouders wordt gedaan alvorens de houders van participatiebewijzen aan de beurt zijn. Samengevat geeft een participatiebewijs recht op een ‘aandeel’ in de winst.
Daarnaast kan het participatiebewijs recht geven op een uitkering uit de door de vennootschap aangehouden reserves. Art. 2:216 BW bepaalt dat de algemene vergadering onder meer bevoegd is tot het vaststellen van uitkeringen. Daaronder is niet alleen de winst begrepen, zoals die blijkt na vaststelling van de jaarrekening, doch ook uitkeringen ten laste van de reserves. Voor het doen van enige uitkering geldt dat het eigen vermogen groter moet zijn dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden. Daarnaast geldt de toets van art. 2:216 lid 2 BW en de eventuele aansprakelijkheid voortvloeiende uit art. 2:216 lid 3 BW.1 Voor deze aansprakelijkheid van de kapitaalverschaffer zonder stemrecht verwijs ik naar paragraaf 6.6.
Voor het overige geldt dat bij het besluit tot winstbestemming door de algemene vergadering rekening gehouden zal moeten worden met de belangen van de houders van participatiebewijzen en – in dat kader – de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid ex art. 2:8 BW.2 Ik kom daarop in paragraaf 7.5.4 terug.