Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.5.3:3.5.3 Rijtjeshuizen
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.5.3
3.5.3 Rijtjeshuizen
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483090:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo schrijven Heyman/Bartels: “Niemand twijfelt eraan dat een rijtjeshuis een afzonderlijke zaak is, ook al vormt de hele rij in bouwkundig opzicht een zekere eenheid.” Zie: H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 44.
H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, p. 143, voetnoot 42.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ploeger noemt een blokje rijtjeshuizen als voorbeeld van een situatie waarin geen horizontale natrekking plaatsvindt en derhalve verticale natrekking prevaleert boven horizontale natrekking. Wanneer men een blokje rijtjeshuizen zou onderwerpen aan de vraag of er sprake is van bestanddelen in de zin van art. 3:4 lid 2 BW, dan kan men deze vraag mijns inziens niet anders dan bevestigend beantwoorden. Stel het blokje rijtjeshuizen bestaat uit vier huizen. Geen van de vier huizen kan afgescheiden worden zonder beschadiging van betekenis aan één van beide zaken, waarmee het voldoet aan het criterium zoals neergelegd in lid 2 van art. 3:4 BW. Wanneer de criteria van art. 3:4 BW daadwerkelijk alternatieve criteria zijn, dan zou het blokje rijtjeshuizen, op grond van art. 3:4 lid 2 BW als één zaak gezien moeten worden, met het blok als hoofdzaak. Er zal echter geen jurist zijn die zal betwisten dat het mogelijk is om één van de vier rijtjeshuizen (afzonderlijk) over te dragen.1 Dit betekent dat indien een gebouw of werk voldoende zelfstandig is, het ook juridisch als zelfstandig geheel wordt beschouwd.
Maar wanneer is een gebouw of werk voldoende zelfstandig? Ploeger bespreekt dit summier in een voetnoot en zegt hierover het volgende:
“Wanneer is een opstal zelfstandig? Men moet de ‘verkeersopvatting’ laten spreken, wat neerkomt op een onderzoek naar de mogelijkheid tot zelfstandige bruikbaarheid. Vooral de aanwezigheid van een zelfstandige toegang lijkt in HR 29 mei 1985, NJ 1986, 274 (tandartspraktijk) een belangrijke rol te spelen. Zie ook Hof Amsterdam 25 september 1990, VN 1991/2138. Een nieuw gebouwde hal tegen een bestaand bedrijfspand is geen verbouwing van een bestaand goed: de hal heeft een eigen toegang en een zelfstandige functie (opslagruimte), de open verbinding met het naastgelegen bedrijfspand is op eenvoudige wijze te dichten, de bedrijfshal is zonder noemenswaardige ingrepen als afzonderlijk gebouw te gebruiken, te verhuren of verkopen. Civielrechtelijk betekent dit dat de hal als een zelfstandige opstal is te beschouwen.”2
Ploeger stelt dat voor de beoordeling of een gebouw of werk juridisch als zelfstandig geheel wordt beschouwd de verkeersopvatting beslissend is en verwijst hierbij naar het Tandartspraktijkarrest.