Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.3.3.1.2
II.3.3.1.2 Beleidsvrijheid
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS381320:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel de Afdeling dit niet altijd lijkt te doen. Zie ABRvS 19 januari 2007, Gst. 2008/2 m.nt. Timmermans.
Vgl. ABRvS 25 januari 2006, AB 2006/229 m.nt. Michiels met betrekking tot de intrekking van een milieuvergunning op grond van artikel 18.12 lid 1 Wm (oud): ‘De Afdeling overweegt dat verweerder wat betreft de wijze waarop en de modaliteiten waaronder handhavend wordt opgetreden, over een ruime beleidsvrijheid beschikt.’
Duk 1988, p. 157.
Vgl. Klap 2007, p. 191-192. Hij meent dat ook bij beoordelingsvrijheid onder omstandigheden een belangenafweging moet worden gemaakt en wel in het kader van de vraag of aan bepaalde normcondities is voldaan.
Artikel 2.33 lid 2 aanhef en onder a Wabo.
ABRvS 9 mei 1996, AB 1997/93, JB 1996/158 m.nt. Stroink en BR 1996, p. 895 (Maxis/Praxis) en meer recent ABRvS 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7046.
Dit is anders wanneer de intrekking wordt gekwalificeerd als een bestraffende sanctie. Dan toetst de rechter de belangenafweging namelijk integraal. Zie bijvoorbeeld ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1454. Zie meer uitgebreid over de bestraffende intrekking en de consequenties van deze kwalificatie paragrafen 6.3 en 7.3.
Van beoordelingsruimte moet beleidsvrijheid worden onderscheiden.1 Beschikt een bestuursorgaan over beleidsvrijheid, dan bestaat vrijheid ten aanzien van de vraag op welke wijze van een bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt.2 Vast staat dan wel dát het bestuursorgaan de bevoegdheid mag uitoefenen. Beleidsvrijheid ziet dus op de vraag hoe de bevoegdheid in een concreet geval wordt uitgeoefend wanneer vaststaat dat aan de voorwaarden voor uitoefening van die bevoegdheid is voldaan. Of in de woorden van Duk: van beleidsvrijheid is sprake indien het bestuursorgaan vrij is om
‘van het gebruik van een bevoegdheid af te zien in gevallen waarin is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de bevoegdheidsuitoefening’.3
Beleidsvrijheid ziet meer specifiek op de keuzevrijheid die het bestuursorgaan heeft ten aanzien van de rechtsgevolgen van een besluit. Bij de uitoefening van een beleidsvrije bevoegdheid dient het bestuursorgaan een belangenafweging te maken.4
Of beleidsvrijheid bestaat, kan worden afgeleid uit het wettelijk voorschrift waarop de beschikkingsbevoegdheid steunt. Vaak is beleidsvrijheid te herkennen aan een zogenaamde ‘kan-bepaling’, of aan de woorden ‘is bevoegd’. Een voorbeeld biedt artikel 2.33 lid 2 Wabo. Daarin is bepaald in welke gevallen het bevoegd gezag over kan gaan tot intrekking van de omgevingsvergunning. Wanneer bijvoorbeeld vaststaat dat een vergunninghouder gedurende drie jaar geen handelingen heeft verricht met gebruikmaking van de vergunning,5 is het bevoegd gezag, vanwege de kan-bepaling, niet verplicht om tot intrekking van de vergunning over te gaan. Het bevoegd gezag kan dus ook van intrekking afzien, indien de uitkomst van de belangenafweging daartoe noopt. De bestuursrechter dient in beginsel de belangenafweging terughoudend te toetsen.6 Hij gaat slechts na of het bestuursorgaan in redelijkheid tot de belangenafweging heeft kunnen komen. De vrijheid die het bestuursorgaan heeft om belangen af te wegen en op basis daarvan een besluit te nemen wordt in beginsel door de bestuursrechter gerespecteerd, tenzij de uitkomst van de belangenafweging kennelijk onredelijk is.7