Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.3.3.1.1
II.3.3.1.1 Beoordelingsruimte
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382531:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Schlössels en Zijlstra maken onderscheid tussen normcondities en normoperatoren. Normcondities zijn van belang voor het al dan niet aanwezig zijn van beoordelingsruimte, normoperatoren zijn bepalend voor de aanwezigheid van beleidsvrijheid. Zie Schlössels en Zijlstra 2010, p. 156-157.
ABRvS 21 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2136.
Meer specifiek wordt de feitenkwalificatie integraal of terughoudend getoetst. Klap wijst erop dat het onderscheid tussen feitenvaststelling en feitenkwalificatie niet altijd scherp te maken is. Zie Klap 2007, p. 186.
Beschikt een bestuursorgaan over beoordelingsruimte, dan betekent dit dat het bestuursorgaan vrijheid heeft bij de beoordeling van wettelijke criteria, ook wel normcondities genoemd.1 Deze normcondities zijn bepalend voor de vraag of van een bepaalde bestuursbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. Een voorbeeld van een bepaling waarin het bestuursorgaan beoordelingsruimte is gelaten, is artikel 31 lid 1 aanhef en onder c Drank- en Horecawet (hierna: DHw). Dit artikel luidt:
‘Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien […] zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.’
Het bestuursorgaan dient op grond van deze bepaling te beoordelen of het in stand blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Pas als wordt geconcludeerd dat dat inderdaad het geval is, mag van de intrekkingsbevoegdheid gebruik worden gemaakt.
Beoordelingsruimte bestaat in verschillende soorten en maten. Onderscheid wordt wel gemaakt tussen objectieve beoordelingsruimte en beoordelingsvrijheid. Van objectieve beoordelingsruimte is sprake indien de beoordelingscriteria bestaan uit zogenaamde objectief vage begrippen. Dit zijn vage begrippen, de begrippen verdienen immers uitleg, maar deze uitleg kan geschieden aan de hand van objectieve criteria. Enkele voorbeelden zijn de begrippen bouwwerk, afvalstof en plichtsverzuim. Daar tegenover kan sprake zijn van subjectieve beoordelingsruimte, ook wel beoordelingsvrijheid genoemd. Een bestuursorgaan dient dan bij de beantwoording van de vraag of de normconditie is vervuld een subjectief oordeel te geven. Dit heeft vaak het karakter van een waardeoordeel. Beoordelingsvrijheid blijkt expliciet uit een wettelijke bepaling wanneer de zinsnede ‘naar het oordeel van’ is opgenomen. Vaker vindt toekenning van beoordelingsvrijheid echter op een meer impliciete wijze plaats, namelijk door gebruik van zogenaamde subjectief vage begrippen. Gedacht kan worden aan termen als doelmatig, noodzakelijk, openbare orde en veiligheid. Een voorbeeld biedt een uitspraak van de Afdeling uit 2011. Het betrof de intrekking van een toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr). Intrekking kon plaatsvinden wanneer kon worden aangenomen dat betrokkene niet meer voldoende betrouwbaar of geschikt was om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten. Zowel rechtbank als Afdeling oordeelden dat de korpschef (het tot intrekking bevoegde orgaan) vrijheid toekomt bij de beoordeling of betrokkene voldoende betrouwbaar is. De Afdeling acht de door de korpschef gemaakte beoordeling in het concrete geval deugdelijk:
‘Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van [appellant] niet langer boven elke twijfel is verheven.’2
Het verschil tussen objectieve beoordelingsruimte en beoordelingsvrijheid is met name van belang voor de wijze van toetsing van de beschikking door de bestuursrechter. Wanneer sprake is van objectieve beoordelingsruimte, dan toetst de bestuursrechter integraal. Beschikt een bestuursorgaan over beoordelingsvrijheid, dan vindt een meer terughoudende toetsing plaats.3