Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.6.2.2.3
II.6.2.2.3 Intrekking op grond van de Wet Bibob
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382538:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
De bevoegdheid om een beschikking op deze grond in te trekken moet bij of krachtens de wet zijn gegeven. Vgl. art. 3 lid 1 aanhef Wet Bibob: ‘Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen […].’
Wel kan het oordeel dat sprake is van een gevaar voor misbruik worden gebaseerd op in het verleden begane overtredingen. Zie art. 3 lid 4 Wet Bibob.
Kamerstukken II 1999/00, 26883, nr. 3, p. 38.
Zie onder meer ABRvS 4 juni 2014, Gst. 2014/102 m.nt. Van der Vorm, ABRvS 9 mei 2012,AB 2012/282 m.nt. Van den Berg en Van den Ende, ABRvS 27 december 2012, AB 2013/70 m.nt. Van den Berg, ABRvS 3 februari 2010, JB 2010/67, ABRvS 8 juli 2009, JB 2009/183 m.nt. Overkleeft-Verburg en Gst. 2009/105 m.nt. Van den Berg en ABRvS 22 november 2006, AB 2007/232 m.nt. Vermeer en Gst. 2007/44 m.nt. Van den Berg en Heinen. Zie in dezelfde zin Vz. Rechtbank Amsterdam 6 juni 2006, Gst. 2006/154 m.nt. Van den Berg bij nr. 153 en CBb 25 juli 2013, JB 2013/195. Kritisch over dit standpunt zijn Van de Berg en Heinen. Zie voorts Van den Berg en Heinen 2007.
EHRM 20 maart 2012, AB 2012/284 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik en EHRC 2012/ 159 m.nt. Rogier.
Zie voorts EHRM 30 november 1999, zaaknr. 47898/99 (McParland t. Verenigd Koninkrijk), een arrest waar het EHRM in het arrest Bingöl eveneens naar verwijst.
EHRM 7 juli 1989, zaaknr. 10873/84.
Vgl. Rogier in EHRC 2012/159.
Eenzelfde probleem bestaat bij intrekking op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). Op grond van art. 3 lid 1 van deze wet kunnen beschikkingen worden ingetrokken indien het gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten (sub a), of strafbare feiten te plegen (sub b).1 Ook ten aanzien van intrekking op deze grond kan worden betwijfeld of sprake is van een bestuurlijke sanctie. Immers, vereist is niet dat de geadresseerde een overtreding heeft begaan.2 Reeds een ernstig gevaar voor misbruik is voldoende om tot intrekking over te gaan.3 De memorie van toelichting bij de Wet Bibob bevat enkel een korte overweging inzake de toepasselijkheid van art. 6 lid 2 EVRM ten aanzien van het Bibob-instrumentarium. Daaruit kan worden afgeleid dat de wetgever dit instrumentarium niet aanmerkt als een criminal charge in de zin van art. 6 lid 1 EVRM.4 Ook de Afdeling bestuursrechtspraak is deze mening toegedaan. Zij stelt daartoe kort gezegd dat de Wet Bibob slechts ten doel heeft te voorkomen dat het plegen van strafbare feiten door het bestuur wordt gefaciliteerd en dus niet is gericht op leedtoevoeging.5 Het Europese Hof voor de rechten van de mens heeft inmiddels ook in deze zin geoordeeld. In het arrest Bingöl t. Nederland stond een weigering op grond van de Wet Bibob centraal. Het EHRM overwoog:
‘The Court and Commission have taken the view that, for purposes of conviction and sentencing, Article 6 does not prevent domestic courts from having regard to an existing criminal record […]. It cannot see any reason of principle why Article 6 § 2 should prevent competent authority from doing so in considering whether a person meets standards of probity required for a particular purpose. […] The Court observed that the impugned proceedings had taken the form of a licensing procedure. At no stage had they involved the determination of a criminal charge within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention. This conclusion was not affected by the fact that the applicant’s request for the licence there in issue had foundered on the basis of his previous criminal convictions.’6
Als ik het goed zie, geeft het EHRM twee redenen voor het oordeel dat geen sprake is van een criminal charge als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM. In de eerste plaats is dat het feit dat het een reguliere vergunningprocedure betreft. Dat heeft volgens het EHRM niets van doen met strafvervolging. In de tweede plaats is van belang dat de aanleiding voor de weigering is gelegen in het feit dat Bingöl niet voldoen aan zogenaamde standards of probity.7 Een parallel kan hier worden getrokken naar het arrest Tre Traktörer Aktiebolag t. Zweden,8 waarin een drankvergunning werd ingetrokken, omdat klaagster werd geacht niet meer geschikt te zijn om alcoholische dranken te schenken. Om die reden werd de intrekking niet gekwalificeerd als een criminal charge.
Hoewel een Bibob-weigering wordt gestoeld op criminele antecedenten, leidt dit niet tot het oordeel dat de weigering als criminal charge moet worden gekwalificeerd. Met dit arrest staat vast dat de weigering op grond van de wet Bibob niet als criminal charge moet worden gekwalificeerd. De vraag is, of voor de intrekking eenzelfde redenering opgaat. Zo stelt Rogier in zijn annotatie bij het arrest Bingöl dat een weigering in het kader van een vergunningprocedure een wezenlijk andere situatie is, dan wanneer een reeds verleende vergunning (of andere beschikking) wordt ingetrokken.9 Dit geldt temeer nu het EHRM in het Bingöl-arrest uitdrukkelijk meeweegt dat sprake was van een vergunningprocedure. Aan de andere kant stoelt het EHRM zijn redenering ook op het feit dat Bingöl niet voldoet aan integriteitseisen. Kennelijk levert een reactie van een bestuursorgaan op het niet (langer) voldoen aan deze eisen geen criminal charge in de zin van art. 6 lid 1 EVRM op. Afgewacht moet worden hoe het EHRM over de Bibob-intrekking zal oordelen. Ik vermoed dat het EHRM, gelet op onder meer het arrest Tre Traktörer Aktiebolag, ook de Bibob-intrekking niet als criminal charge zal kwalificeren, maar zal plaatsen in het kader van het niet (langer) voldoen aan integriteitseisen.