Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.17.4.2.4
IV.17.4.2.4 Geen beroep op vertrouwen (§ 48 lid 2 derde volzin VwVfG)
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS381345:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Detterbeck 2013, p. 230. De hier gegeven opsomming is niet limitatief. Vgl. BVerwGE 28 juni 2012, NVwZ-RR 2012/933.
§ 48 lid 2 derde volzin sub 1 VwVfG.
Erwirkt.
Stelkens/Bonk/Sachs 2014, nr. 150, Ehlers/Kallerhof 2009, p. 830. Zie voorts BVerwGE 27 oktober 2004, zaaknr. 4 B 74.04.
Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG, Rn. 112 en Knack/Henneke 2010, § 48 VwVfG Rn. 104. Zie voor een voorbeeld BVerwGE 9 september 2003, zaaknr. 1 C 6.03. Klager had in het kader van zijn naturalisatie aangegeven dat hij was getrouwd, zij het dat dit huwelijk er enkel op was gericht zeker te stellen dat klager in Duitsland kon blijven. Klager had op zijn aanvraagformulier dan ook moeten invullen dat sprake was van ‘gescheiden leven’ in plaats van ‘getrouwd’.
Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG Rn. 112.
Daar wordt over het begrip Bestechung het volgende bepaald: ‘Wer einem Amtsträger, einem Europäischen Amtsträger, einem für den öffentlichen Dienst besonders Verpflichteten oder einem Soldaten der Bundeswehr einen Vorteil für diesen oder einen Dritten als Gegenleistung dafür anbietet, verspricht oder gewährt, daß er eine Diensthandlung vorgenommen hat oder künftig vornehme und dadurch seine Dienstpflichten verletzt hat oder verletzen würde, wird mit Freiheitsstrafe von drei Monaten bis zu fünf Jahren bestraft. […].’
§ 48 lid 2 derde volzin sub 2 VwVfG.
Aangeduid met de term erwirken. Vgl. Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VWVfG Rn. 116 met een verwijzing naar BVerwGE 14 augustus 1986, bandnr. 74, 357 en Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 VwVfG Rn. 154.
Die gesetzlichen Tatbestandsmerkmale. Zie Ehlers/Kallerhoff 2009, p. 830.
Een en ander wordt in de wettekst duidelijk gemaakt doordat is bepaald dat de informatie in wesentlicher Beziehung onjuist of onvolledig moet zijn. Vgl. Stelkens/Bonk/ Sachs 2014, § 48 VwVfG Rn. 154, Ehlers/Kallerhoff 2009, p. 830.
BVerwGE 14 augustus 1986, bandnr. 74, 357. Zie voorts Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 VwVfG Rn. 156 en Ehlers/Kallerhoff 2009, p. 830.
In tegenstelling tot het hiervoor genoemde opzettelijke bedrog. Vgl. Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG Rn. 112.
Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG Rn. 118, Ehlers/Kallerhoff 2009, p. 830, Erichsen/Brügge 1999 (1), p. 160. Zie voorts BVerwGE 14 oktober 1959, bandnr. 10, 12.
BVerwGE 6 juni 1991, bandnr. 88, 278.
§ 48 lid 2 derde volzin sub 3 VwVfG.
BVerwGE 19 december 1984, bandnr. 70, 356.
BVerwGE 22 september 1993, NVwZ-RR 1994/369 en DVBl. 1994/115.
BVerwGE 26 mei 1966, bandnr. 24, 148 en BVerwGE 12 juli 1972, bandnr. 40, 212. Vgl. voorts Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG Rn. 124 en Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 VwVfG Rn. 161.
Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 VwVfG Rn. 161.
Sich aufdrängen muss.
Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG Rn. 124, Knack/Henneke 2010, § 48 VwVfG Rn. 106, Erichsen/Ehlers 2010, p. 729, Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 VwVfG Rn. 162, Ehlers/ Kallerhoff 2009, p. 830, Erichsen/Brügge 1999 (1), p. 160. Zie voorts BVerwGE 12 december 2007, zaaknr. 2 B 93.07.
BVerwGE 13 november 1986, NVwZ 1987/500.
§ 48 lid 2 vierde volzin VwVfG. Zie voorts Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG Rn. 127ben BVerwGE 28 juni 2012, NVwZ-RR 2012/933.
Waar de tweede volzin van § 48 lid 2 VwVfG een situatie geeft waarin het vertrouwen van de begunstigde in de regel wel beschermenswaardig is, bevat de derde volzin van deze bepaling een drietal gevallen waarin de begunstigde zich niet op vertrouwen kan beroepen. Daarom worden deze drie gevallen ook wel aangeduid als Ausschlusstatbestand.1 Dat is in de eerste plaats het geval wanneer de beschikking is verkregen door opzettelijk bedrog, bedreiging of omkoping.2 Vereist is dat de beschikking ten gevolge van een van deze gedragingen is gegeven,3 dat wil zeggen dat sprake is van een causaal verband tussen de handeling en de (verlening van de) beschikking en dat kan worden gesproken van een doelgericht handelen van de begunstigde.4 Bij opzettelijk bedrog kan worden gedacht aan de situatie waarin de begunstigde bij zijn aanvraag bewust onjuiste informatie heeft verstrekt om ervoor te zorgen dat de beschikking zou worden gegeven.5 Bij dreiging worden de bedreigde bepaalde nadelen in het vooruitzicht gesteld, ingeval van een bepaald handelen.6 Voor het begrip omkoping wordt aansluiting gezocht bij hetgeen is bepaald in § 334 Strafgesetzbuch.7
In de tweede plaats is een beroep op de vertrouwensbescherming uitgesloten indien de beschikking is gegeven op grond van door de begunstigde verstrekte onjuiste of onvolledige informatie.8 Vereist is dat de onrechtmatigheid van de beschikking het gevolg is van de onjuiste of onvolledige informatie (causaal verband).9 De informatie moet van belang zijn voor de wettelijke toepassingsvoorwaarden van de bevoegdheid10 of voor de belangenafweging. Een en ander wordt ook wel aangeduid als dat de informatie entscheidungserheblich moet zijn.11 Niet is vereist dat de begunstigde enige schuld heeft aan het verstrekken van de onjuiste of onvolledige informatie.12 Het enkele feit dat hij onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt is voldoende.13 Wel wordt gekeken naar de eventuele rol van het bestuursorgaan bij het verstrekken van de informatie. Wanneer een bestuursorgaan bijvoorbeeld gebruik maakt van een gebrekkig aanvraagformulier, kan dit niet aan de begunstigde worden tegengeworpen.14 Hetzelfde geldt indien het bestuursorgaan op enigerlei wijze heeft laten blijken aan bepaalde informatie geen waarde te hechten.15
Tot slot slaagt een beroep op het vertrouwen niet indien de begunstigde de onrechtmatigheid van de beschikking kende, of ten gevolge van grove nalatigheid niet kende.16 Het gaat, zoals de tekst van de bepaling duidelijk maakt, om kennis van de onrechtmatigheid van de beschikking. De onrechtmatigheid is immers de aanleiding om tot intrekking van de beschikking over te gaan.17 De enkele kennis van feiten welke leiden tot onrechtmatigheid is voor deze bepaling onvoldoende.18 Bij grove nalatigheid in de zin van deze bepaling dient te worden nagegaan of de onrechtmatigheid van de beschikking zo duidelijk was, dat betrokkene deze had behoren te (her)kennen. Daarvan is sprake indien de zorgvuldigheid door de geadresseerde in bijzonder ernstige mate is geschonden.19 Gedacht kan worden aan de situatie waarin de geadresseerde twijfelt aan de juistheid van een tot hem gerichte beschikking, maar nalaat om een en ander nader te onderzoeken.20
Indien de onrechtmatigheid van de beschikking voor de geadresseerde aannemelijk is,21 dan dient de betrokkene navraag te doen bij het bevoegde bestuursorgaan. Op de begunstigde rust dan een onderzoeksplicht. Bij beoordeling van de vraag of sprake is van grove nalatigheid wordt gekeken naar persoonlijke kenmerken en capaciteiten van de betrokkene.22 Zo oordeelde het Bundesverwaltungsgericht dat van een gepensioneerd ambtenaar een hogere mate van zorgvuldigheid verwacht mag worden.23
Doet zich een van de hiervoor genoemde situaties voor, dan geldt dat de beschikking in de regel ex tunc kan worden ingetrokken.24