De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.17.4.2.1:IV.17.4.2.1 Opbouw § 48 lid 2 VwVfG
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.17.4.2.1
IV.17.4.2.1 Opbouw § 48 lid 2 VwVfG
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS381344:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de intrekking van Leistungen in de zin van § 48 lid 2 VwVfG speelt het vertrouwensbeginsel een grote rol. De bevoegdheid tot intrekking neergelegd in deze bepaling wordt op grond van dit beginsel aan voorwaarden gebonden. Ten aanzien van de Leistungs-beschikking geldt dat deze niet mag worden ingetrokken, wanneer sprake is van zogenaamd schutzwürdiges Vertrauen (vrij vertaald: gerechtvaardigd vertrouwen). Op welke wijze wordt bepaald of van een dergelijk vertrouwen sprake is, is neergelegd in § 48 lid 2 VwVfG. Allereerst moet de begunstigde hebben vertrouwd op het in stand blijven van de beschikking.1 Ten tweede moet het belang van de begunstigde, na afweging met het algemeen belang, schutzwürdig zijn.
Een en ander wordt nader ingevuld in § 48 lid 2 VwVfG. In de eerste plaats geldt, dat het vertrouwen van de begunstigde in de regel bescherming verdient, indien hij de verleende Leistung heeft ‘verbruikt’ of heeft gedisponeerd en deze dispositie niet meer of enkel met onredelijk nadeel tot gevolg, ongedaan gemaakt kan worden. Verder kan de begunstigde zich in een drietal gevallen niet op zijn vertrouwen kan beroep, namelijk:
indien de beschikking is verkregen door opzettelijk bedrog, bedreiging of omkoping,2 of
de beschikking is verkregen op grond van informatie die in wezenlijk opzicht onjuist of onvolledig is, of
de begunstigde de onrechtmatigheid van de beschikking kende, of ten gevolge van grove nalatigheid niet kende.
De hiervoor genoemde elementen van de vertrouwensbescherming van § 48 lid 2 VwVfG worden in het navolgende besproken.