Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/5.2.1
5.2.1 Inleiding
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS453235:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Verstappen 1996, p. 79-85; Zwalve 2006a, p. 351. Vgl. De Ruiter 1963, p. 80; Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:227 BW, aant. 2.1.1 (online, laatst bijgewerkt op 10 februari 2015); Verstappen 2002, p. 123.
In paragraaf 4.3.2.2 kwam dit al kort aan de orde. Daar betrof het echter vooral de verhouding van het specialiteitsbeginsel tot het bepaaldheidsvereiste. Bovendien is nog niet onderzocht of de invoering van het specialiteitsbeginsel tevens invoering van het uniciteitsbeginsel met zich bracht; dat komt in deze paragraaf aan bod
Van Hoof 2015, p. 218 e.v.; Zwalve 2006a; Zwalve 2006c, p. 21, 22. Zie voorts de paragrafen hierna.
Voor het doel van dit onderzoek is het niet noodzakelijk een uitputtende weergave van de historie van het hypotheekrecht te geven (voor zover dat al mogelijk is), zie hiervoor De Blécourt/Fischer 1967, p. 246 e.v.; Cerutti/Van den Bergh 1972; Egger 1903; Herman 1914; Van Hoof 2015.
Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 243; De Blécourt/Fischer 1969, p. 45; Lokin & Zwalve 2006, p. 305-306; Zweigert & Kötz 1998, p. 73, 101-102.
Hieronder geef ik slechts een vereenvoudigde weergave van de ontstaansgeschiedenis van het Franse hypotheekrecht, waarover de meeste auteurs het eens lijken te zijn. Zie in meer detail bijvoorbeeld Van Hoof 2015, p. 141 e.v.; Pos 1970, p. 72 e.v..
Voor het tegenwoordige Nederlandse recht moeten hieronder registergoederen in het algemeen worden begrepen, en bij het Franse recht gaat het, letterlijk vertaald, om onroerende goederen. In het Franse recht gaat men uit van goederen, die roerend of onroerend en lichamelijk of onlichamelijk kunnen zijn. Ik bespreek dit systeem in paragraaf 2.3.4.
Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXI; Herman 1914, p. 52; Van Hoof 2015, p. 25-26; Jansen 1994, p. 34; Zwalve 2006a, p. 351; Zwalve 2006c, p. 19. Overigens kan onder generale hypotheek ook worden verstaan het belasten van het gehele vermogen, dus inclusief roerende zaken, met hypotheek (dat wil zeggen een vuistloos zekerheidsrecht), zie de zojuist genoemde literatuur.
Zoals in Duitsland: Brehm & Berger 2014, p. 185, 188; Wilhelm 2010, nr. 552; Zevenbergen 2002, p. 47, 52.
Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXVI; Hedemann 1935, p. 1-2; Simler & Delebecque 2012, nr. 848; Wieling 2007, p. 270; Wilhelm 2010, nr. 564-565. Vgl. Zevenbergen 2002, p. 36-37.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 478-480; Fournier, Rép. civ., “Publicitéfoncière”, nr. 39-40, 221 e.v. (online, laatst bijgewerkt juni 2015); Simler & Delebecque 2012, nr. 848; Zevenbergen 2002, p. 58-59.
110. Zoals in paragraaf 1.3.2 al kort aan de orde kwam, is de term specialiteitsbeginsel soms wel in verband gebracht met het uniciteitsbeginsel.1 Daarmee rijst de vraag in hoeverre het specialiteitsbeginsel en het uniciteitsbeginsel al dan niet met elkaar overlappen2 en in hoeverre het specialiteitsbeginsel in de weg staat aan één hypotheekrecht op meerdere objecten.
Daarnaast heeft het specialiteitsbeginsel een rol gespeeld bij de afschaffing van de zogenoemde ‘generale’ hypotheken.3 Hielden deze generale hypotheken in dat één hypotheekrecht op meerdere goederen bestond? En hield afschaffing van dit soort hypotheken dus ook in dat voortaan ook bij hypotheken het beginsel van uniciteit wordt gehanteerd? Om deze vragen te kunnen beantwoorden, is het nodig kort in te gaan op de (relatief) recente geschiedenis van het hypotheekrecht.4 Omdat het Nederlandse hypotheekrecht deels teruggaat op het Franse,5 sta ik allereerst kort6 stil bij de geschiedenis van het Franse hypotheekrecht.
111. Vooraf enige terminologische verduidelijkingen. Hieronder zullen regelmatig generale en speciale hypotheken ter sprake komen. Onder een generale hypotheek wordt de situatie verstaan waarin alle huidige en toekomstige onroerende zaken7 van een persoon, doorgaans de debiteur, in één handeling, door middel van een algemene omschrijving worden bezwaard met hypotheek. Met speciale hypotheek wordt bedoeld het belasten van een bepaalde zaak met hypotheek. Op de vraag hoe deze twee vormen van hypotheek zich verhouden tot het uniciteitsbeginsel kom ik, zoals gezegd, hieronder terug.8
Voorts vestig ik de aandacht op het volgende. Bij het registreren van akten en rechten9 betreffende onroerende zaken zijn drie systemen denkbaar.10 Ten eerste een chronologisch systeem, waarbij akten worden verzameld in de volgorde waarin ze bij het openbare register zijn ingeschreven. Ten tweede een systeem van, wat ik zal noemen, persoonlijke publiciteit. In het Duitse recht wordt dit mooi uitgedrukt door te zeggen dat gebruik wordt gemaakt van een Personalfolium (persoonlijk folio). Hiermee wordt bedoeld een systeem waarbij ordening van het openbare register plaatsvindt op naam van de grondeigenaar. Ten derde is denkbaar een systeem van reële publiciteit, in het Duits genaamd het systeem van het Realfolium, waarbij het register wordt geordend per onroerende zaak, per object. Ook mengvormen zijn denkbaar, zoals tegenwoordig in het Nederlandse en Franse recht (een chronologische aktenregistratie, die via het kadaster op rechthebbende of object geraadpleegd kan worden).11 Zoals nog zal blijken, spelen deze vormen van systemen van het geven van publiciteit aan hypotheken een rol in de ontwikkeling van het hypotheekrecht.