Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.3.2.2.1
II.3.2.2.1 De geïmpliceerde intrekkingsbevoegdheid
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS381319:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Ortlep spreekt, in navolging van Verheij in zijn noot bij ABRvS 10 juli 2002, AB 2003/ 123, over een impliciete bevoegdheid. Zie Ortlep 2011, p. 172.
Zie hierover uitgebreid Van Ommeren 2002.
Zie onder meer Ortlep 2011, p. 176, p. 288-289 en p. 401 e.v.
CBb 29 september 2009, AB 2009/395 m.nt. Sewandono.
Zie onder meer CBb 20 oktober 2008, AB 2008/368 m.nt. Ortlep, CBb 15 oktober 2010, AB 2011/24 m.nt. Ortlep en JB 2011/38, ABRvS 3 november 2010, JB 2011/4 m.nt. De Kam, ABRvS 27 november 2013, AB 2013/416 m.nt. Nijmeijer, JB 2014, 10, JM 2014, 23 m.nt. Bookelaar, ABRvS 5 oktober 2011, TBR 2011/184 m.nt. Nijmeijer en JB 2011/260 m.nt. De Kam, M&R 2012/23 m.nt. Hillegers, Gst. 2013/16 m.nt. Heinen en BR 2012/16 m.nt. Breeman en Bäcker.
Dat geldt zowel voor begunstigende als belastende beschikkingen. Vgl. Ortlep 2011, p. 401-402. Wat betreft belastende beschikkingen wordt art. 4:6 Awb in de jurisprudentie naar analogie toegepast ter beantwoording van de vraag wanneer bij een bestuursorgaan een verzoek wordt gedaan om een beschikking ten voordele van de geadresseerde aan te tasten. Zie Ortlep 2011, p. 420 en 435 e.v. incl. verwijzingen.
HR 20 januari 2012, AB 2012/65 m.nt. Ortlep, NTFR 2012/427 m.nt. Van der Vegt, FED 2012/56 m.nt. Oenema en BNB 2012/176 m.nt. Van Eijsden.
Zie de annotaties van Oenema, Van Eijsden en Van der Vegt bij het arrest van de Hoge Raad.
ABRvS 3 november 2010, JB 2011/4 m.nt. De Kam. Zie voor andere uitspraken waarin de hier genoemde rechtsregel is geformuleerd onder meer: CBb 6 april 1994, AB 1994/ 529 m.nt. Van der Veen, ABRvS 14 januari 2000, JB 2000/65 en ABRvS 8 februari 2000, AB 2001/118 m.nt. Damen, JB 2000/91 m.nt. Albers en RAwb 2000/106 m.nt. De Moorvan Vugt (Haagse woningverbeteringssubsidies).
Zie onder meer met verwijzingen Den Ouden 2010, p. 697. Zie voorts onder meer CRvB 19 maart 2014, RSV 2014/131 en USZ 2014/153, CBb 29 september 2009, AB 2009/ 395 m.nt. Sewandono, ABRvS 3 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3986, CRvB 15 maart 2007, AB 2008/14 m.nt. Van Ballegooij en TAR 2007/143, CRvB 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2885, ABRvS 12 december 2001, AB 2002/323 m.nt. Marseille, JB 2002/27 m.nt. Albers Gst. 2002/6 m.nt. Schlössels en ARRvS 29 februari 1988, AB 1989/ 356 en Vz. ARRvS 5 januari 1989, AB 1989/357 m.nt. Simon.
Regeling van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 2 maart 2003, Stcrt. 2003, 43.
CBb 8 november 2005, AB 2006/23 m.nt. Van der Veen. De conclusie van het CBb was echter dat de intrekking niet in stand komen blijven vanwege een motiveringsgebrek (zie r.o. 5.7 van de uitspraak).
Zie bijvoorbeeld CBb 15 oktober 2010, AB 2011/24 m.nt. Ortlep en JB 2011/38 en CBb 20 oktober 2008, AB 2008/368 m.nt. Ortlep
Niet altijd voorziet een wettelijke regeling in een grondslag voor intrekking. Dat betekent echter niet steeds, dat een op basis van die wettelijke regeling gegeven beschikking niet kan worden ingetrokken. In de jurisprudentie is namelijk de figuur van de geïmpliceerde bevoegdheid1,2 tot intrekking aanvaard. Daarmee wordt bedoeld dat de bevoegdheid tot intrekking wordt afgeleid uit de bevoegdheid om een bepaalde beschikking te geven. Met andere woorden: de bevoegdheid tot verlening van een beschikking impliceert de bevoegdheid om diezelfde beschikking weer in te trekken.3 Gelet op het legaliteitsbeginsel kan de aanvaardbaarheid van dergelijke bevoegdheden worden betwijfeld. Het uitgangspunt zou toch moeten zijn dat een bestuursorgaan enkel mag handelen wanneer daarvoor een wettelijke basis bestaat. Het feit dat bij het ontbreken van een wettelijke grondslag het aannemen van een geïmpliceerde bevoegdheid wellicht wenselijk is, doet hieraan niet af.
Een voorbeeld van een geïmpliceerde bevoegdheid biedt een uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) uit 2009.4 Bij besluit waren varkensrechten ten behoeve van appellante geregistreerd op grond van de Wet herstructurering varkenshouderij en het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (respectievelijk Whv en Bhv). Later bleek echter dat deze registratie ten onrechte was geschied, vanwege het feit dat niet werd voldaan aan de voorwaarden om voor deze varkensrechten in aanmerking te komen. Nu in de van toepassing zijnde regelgeving niet was voorzien in een mogelijkheid om de registratie in te trekken, werd de vraag gesteld of de minister van LNV bevoegd was om over te gaan tot intrekking. Het CBb was van mening dat dit het geval was:
‘Uit het voorgaande volgt dat, nu een specifieke wettelijke basis daartoe ontbreekt, de grondslag voor de bevoegdheid tot intrekking van (de registratie van de) aan A-B toegekende varkensrechten, slechts afgeleid kan worden uit de wettelijke bevoegdheid tot toekenning van die varkensrechten op grond van het Bhv.’
Ook in andere jurisprudentie is deze rechtsregel terug te vinden.5,6
De belastingrechter lijkt niet te willen weten van geïmpliceerde bevoegdheden, zo blijkt uit een arrest van de Hoge Raad (hierna: HR) van 20 januari 2012.7 Ten gevolge van een administratieve fout was een bedrag aan heffingsrente onjuist vastgesteld. De vraag was of correctie mocht plaatsvinden. Volgens de rechtbank en het gerechtshof luidde het antwoord ontkennend, omdat, kort gezegd, een wettelijke grondslag daartoe ontbrak. A-G Van Ballegooijen wijst in zijn conclusie onder meer op de jurisprudentie van de andere bestuursrechters, waaruit blijkt dat bij het ontbreken van een wettelijke grondslag voor intrekking, onder omstandigheden het bestaan van ongeschreven bevoegdheden wordt erkend. De HR sluit zich echter niet in algemene zin bij deze jurisprudentie aan. Toch kan herziening van het heffingsrentebesluit naar het oordeel van de HR plaatsvinden, namelijk op grond van art. 30j lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Deze bepaling luidt:
‘De inspecteur stelt het bedrag van de belastingrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Met betrekking tot deze beschikking zijn de bepalingen in de belastingwet die gelden voor de belastingaanslag ter zake waarvan belastingrente wordt berekend, van overeenkomstige toepassing.’
Uit de tweede hier geciteerde volzin leidt de HR af, dat een onjuist heffingsrentebesluit onder omstandigheden mag worden herzien:
‘De tweede volzin van artikel 30j, lid 1, van de AWR dient aldus te worden begrepen dat voor de vaststelling bij beschikking van het verschuldigde bedrag aan heffingsrente dezelfde regels gelden als voor het vaststellen door middel van een belastingaanslag van de belastingschuld waarop de berekening van die heffingsrente is gebaseerd. Dit brengt mee dat in een geval als het onderhavige, waarin bij een belastingaanslag niet de gehele daarmee verbonden heffingsrente in rekening is gebracht, correctie kan plaatsvinden onder dezelfde voorwaarden als die waaronder de met die heffingsrente samenhangende belastingaanslag gecorrigeerd kan worden indien zij tot een te laag bedrag is vastgesteld.’
Wanneer dus is voldaan aan de voorwaarden om de met de heffingsrente samenhangende belastingaanslag te corrigeren, bestaat naar het oordeel van de Hoge Raad op grond van art. 30j lid 1 tweede volzin AWR tevens de bevoegdheid om de heffingsrentebeschikking ten nadele van de geadresseerde te wijzigen. Een geïmpliceerde bevoegdheid tot intrekking lijkt de HR te vergaand te vinden. Een verklaring hiervoor kan worden gevonden in de veelal gebonden bevoegdheden in het belastingrecht en de diverse bestaande wettelijke bevoegdheden om onjuiste beslissingen te herzien.8 Voorts kan worden gewezen op het fiscale legaliteitsbeginsel neergelegd in art. 104 Gw.
Soms wordt een geïmpliceerde bevoegdheid in algemene zin gekoppeld aan een bepaalde grond voor intrekking. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een beschikking wordt ingetrokken omdat de geadresseerde onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt. Zo overwoog de Afdeling in een uitspraak uit 2010 ten aanzien van een besluit inzake de toekenning van planschadevergoeding:
‘Aan het college kan in beginsel niet de bevoegdheid worden ontzegd om een besluit tot het toekennen van planschadevergoeding in te trekken of te wijzigen, indien achteraf blijkt dat deze ten onrechte is toegekend, zij het dat deze bevoegdheid wordt begrensd door algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake wanneer het besluit wordt ingetrokken omdat de verzoeker onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en het verstrekken van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op het verzoek om planschadevergoeding zou hebben geleid.’9
Een soortgelijke overweging is te vinden in situaties waarin een administratieve fout leidt tot intrekking.10 Voorts lijkt een geïmpliceerde bevoegdheid te worden aanvaard vanwege specifieke omstandigheden van het geval. In de uitspraak van het CBb uit 2005 betrof het de intrekking van een aanwijzing van een slachterij als slachthuis in de zin van de Regeling vervoersbeperkingen pluimvee 2003.11 Voor deze intrekking was in genoemde regeling geen grondslag opgenomen. Het CBb was niettemin van oordeel dat de aanwijzing kon worden ingetrokken, en wel op grond van een geïmpliceerde bevoegdheid. Er was namelijk sprake van een forse toename van het aantal vogelgriepgevallen, met alle risico’s van dien.12
Tot slot zijn er situaties waarin het bestaan van een geïmpliceerde bevoegdheid door de bestuursrechter niet wordt gekoppeld aan een bepaalde grond. Overwogen wordt slechts dat de bevoegdheid om een bepaalde beschikking te geven, tevens de bevoegdheid tot intrekking inhoudt.13