De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/7.2.1:7.2.1 Gebrekenregeling
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/7.2.1
7.2.1 Gebrekenregeling
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS374063:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Steenmetser, TvHB 2006/3, p. 74-75.
Voor Vrakking zie WR 2015, 1; voor Huydecoper zie zijn conclusie bij het arrest KPN/Tamminga, HR 3 september 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM3980.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een knelpunt dat opgelost dient te worden is de mogelijkheid die partijen hebben om in de huurovereenkomst een definitie op te nemen van het begrip ‘gebrek’ die afwijkt van het bepaalde in artikel 7:204 lid 2 BW. In paragraaf 6.3.1 heb ik uiteengezet dat dit in bepaalde gevallen tot een uiterst onwenselijke situatie kan leiden, als dit betekent dat het gehuurde niet conform de overeengekomen bestemming kan worden gebruikt.
Steenmetser meent dat het opnemen van een afwijkende definitie van het begrip gebrek in strijd is met de bedoeling van de wetgever.1 Andere schrijvers als Huydecoper en Vrakking menen dat afwijking wel degelijk is toegestaan.2 De vraag in welke gevallen afwijking is toegestaan en in welke gevallen niet, is echter tot op heden niet in die vorm aan de Hoge Raad voorgelegd. Het is derhalve allerminst zeker dat deze opvatting de juiste is en dat een huurder die stelt dat de verhuurder zich niet op de afwijkende definitie mag beroepen gelijk zal krijgen. Ik meen dat voor eens en voor altijd zeker moet worden gesteld dat de huurder vorderingen kan instellen tegen zijn verhuurder als het gehuurde door een gebrek niet conform de overeengekomen bestemming kan worden gebruikt. Dit kan worden bewerkstelligd door artikel 7:209 BW te wijzigen. In dit artikel is vastgelegd in hoeverre de gebrekenregeling van (semi)dwingend recht is. In mijn voorstel ziet artikel 7:209 BW er als volgt uit:
Van de artikelen 206, leden 1 en 2, 207 en 208 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken voor zover het gaat om gebreken die de verhuurder bij het aangaan van de overeenkomst kende of had behoren te kennen;
Van de artikelen 204 lid 2, 206 leden 1 en 2, 207 en 208 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken voor zover het gaat om gebreken die het gebruik van de zaak conform de daaraan in de overeenkomst gegeven bestemming onmogelijk maken.’
Met deze wijziging is het voor de huurder mogelijk om herstel van het gebrek, een huurverlaging en/of schadevergoeding van de verhuurder te vorderen als hij door het gebrek geen gebruik kan maken van het gehuurde. Omdat niet alleen de huurder van een ongebouwde onroerende zaak, maar iedere huurder belang heeft bij het kunnen instellen van deze vorderingen als het gehuurde niet conform de overeengekomen bestemming kan worden gebruikt, heb ik de wijziging toegevoegd in artikel 7:209 BW en geen beperking opgenomen voor het werkingsgebied. Dit artikel is immers van toepassing op alle huurovereenkomsten.