Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.3.5.3
III.10.3.5.3 Terminologie
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS381332:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Intrekking is dus een ingrijpend middel en dient derhalve veelal als stok achter de deur. Van de intrekkingsbevoegdheid wordt, bijvoorbeeld als het gaat om een omgevingsvergunning voor een inrichting, weinig gebruik gemaakt. Vgl. Backes 2012, p. 168.
Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 115.
Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 9, p. 21.
Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 9, p. 21. Meer specifiek wordt gewezen op aanwijzing 129 (luidende: ‘Indien intrekking of wijziging van een op een regeling berustende beschikking mogelijk moet zijn, wordt de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk geregeld’) en 130 (luidende: ‘De gronden die kunnen of moeten leiden tot het intrekken of wijzigen van een beschikking, worden in de regeling gespecificeerd’).
Vgl. ook art. 2.31 lid 2 aanhef Wabo. In het eerste lid van deze bepaling is de zinsnede ‘voor zover’ niet opgenomen.
Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 118. Zie Van den Broek en Dresden 2010, p. 120.
Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 118.
Van Buuren e.a. 2014, p. 195.
ABRvS 29 december 2004, BR 2005/155 m.nt. Nijmeijer (intrekking bouwvergunning Weert).
Vgl. Rademaker 2010, p. 14-15. Voor de volledigheid wordt hier opgemerkt dat onder de Omgevingswet het vereiste van de onlosmakelijkheid komt te vervallen. Vgl. art. 5.7 Ow en Lam 2014, p. 952.
In het bestemmingsplan was bepaald dat voor het rooien van bomen waarbij stobben werden verwijderd, een omgevingsvergunning was vereist.
ABRvS 3 oktober 2012, M&R 2012/156 m.nt. Van den Broek. In een andere uitspraak uit 2012 ging het eveneens om het vellen van een houtopstand (art. 2.2 lid 1 aanhef en onder g Wabo), dit keer in combinatie met het bouwrijp maken van de grond (art. 2.1 lid 1 aanhef en onder c Wabo). Tussen deze activiteiten bestond naar het oordeel van de Afdeling geen onlosmakelijke samenhang, nu het kappen van de bomen voorafging aan het bouwrijp maken van de grond. De Afdeling was van mening dat de activiteiten fysiek onderscheiden konden worden. Vgl. ABRvS 5 november 2012, AB 2013/52 m.nt. Nijmeijer.
Vgl. ten aanzien van vergunningen in de zin van art. 8.1 Wm (oud) Kamerstukken II 1988/89, 21087, nr. 3, p. 83: ‘Indien een omstandigheid die een grond vormt voor intrekking van een vergunning slechts ten aanzien van een gedeelte van de inrichting geldt en het resterende gedeelte van de inrichting zelfstandig kan functioneren, is het bevoegd gezag slechts gerechtigd tot intrekking van de vergunning voor het desbetreffende gedeelte van de inrichting.’ Zie in dezelfde zin ten aanzien van de weigering Van Angeren en Van ’t Lam 2011, p. 99.
In de intrekkingsregeling van de Wabo wordt onderscheid gemaakt tussen intrekking (artt. 2.33 en 5.19 Wabo) en wijziging (art. 2.31 Wabo). De term intrekking wordt niet gedefinieerd. De artt. 2.33 en 5.19 Wabo spreken over het geheel of gedeeltelijk intrekken van de omgevingsvergunning. De term wijziging ziet blijkens de tekst van art. 2.31 Wabo op voorschriften van de omgevingsvergunning. Onder wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning wordt op grond van art. 1.1 lid 1 Wabo verstaan: het
‘wijzigen, aanvullen of intrekken van voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden of alsnog verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning.’
Gelet op de in de Wabo gehanteerde terminologie ziet het wijzigen slechts op de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en het intrekken op de vergunning als geheel (dus inclusief eventueel daaraan verbonden voorschriften). Met een intrekking kan dus de vergunde activiteit in verdergaande mate worden aangetast dan door middel van wijziging het geval is.1 Wijziging van de vergunningvoorschriften kan er slechts toe leiden dat de wijze waarop de activiteit mag worden uitgevoerd kan worden veranderd.2
In de nota van wijziging wordt ten aanzien van art. 5.19 Wabo opgemerkt dat dit artikel een bevoegdheid tot wijziging van de vergunningvoorschriften bij wijze van sanctie inhoudt.3 De tekst van art. 5.19 Wabo spreekt enkel over het ‘geheel of gedeeltelijk intrekken’ van de omgevingsvergunning. De gedachte van de wetgever is wellicht geweest dat een bevoegdheid tot intrekking tevens een bevoegdheid tot wijziging inhoudt op grond van het adagium ‘wie het meerdere mag, mag ook het mindere’. Dit lijkt mij op zichzelf verdedigbaar, zij het dat in de artt. 2.31 en 2.33 Wabo expliciet onderscheid is gemaakt tussen de wijziging en intrekking. Daarnaast werd met betrekking tot de reguliere bevoegdheid tot wijziging een expliciete wettelijke grondslag noodzakelijk geacht. In dit kader werd een beroep gedaan op de Aanwijzingen voor de regelgeving, waaruit voortvloeit dat een bevoegdheid tot wijziging uitdrukkelijk moet worden geschapen.4
In de aanhef van de eerste twee leden van art. 2.33 Wabo is, in tegenstelling tot art. 5.19 lid 1 aanhef Wabo, bepaald dat een omgevingsvergunning kan worden ingetrokken voor zover zich een van de daar genoemde intrekkingsgronden voordoet.5 In de memorie van toelichting wordt over de woorden ‘voor zover’ opgemerkt dat indien het project bestaat uit meerdere activiteiten (en de omgevingsvergunning dus meerdere toestemmingen bevat), de vergunning kan worden ingetrokken voor zover dat nodig is om aan de grond voor intrekking te voldoen.6 Er is dan sprake van een gedeeltelijke intrekking. Voor de activiteiten (lees: toestemmingen) die niet door de intrekking worden geraakt, blijft de vergunning in stand. Als voorbeeld wordt de intrekking op grond van art. 2.33 lid 2 onder a Wabo genoemd. Het betreft de intrekking vanwege het gedurende een bepaalde periode niet verrichten van handelingen met gebruikmaking van de vergunning. De intrekking raakt slechts de nog niet voltooide delen.7 De zinsnede ‘voor zover’ beperkt dus de bevoegdheid tot intrekking tot die delen van de vergunning ten aanzien waarvan zich de intrekkingsgrond voordoet.
Wat betreft de mogelijkheid tot gedeeltelijke intrekking een omgevingsvergunning moet het volgende worden opgemerkt. Voor de vraag of gedeeltelijke intrekking in een concreet geval mogelijk is, moet worden bezien voor welke activiteit(en) de vergunning is verleend. Meer specifiek dient het bestuursorgaan na te gaan of een vergunning na gedeeltelijke intrekking daarvan nog betekenis heeft, of, met andere woorden, als zelfstandige eenheid kan functioneren.8 Een en ander kan worden geïllustreerd aan de hand van een uitspraak van de Afdeling uit 2004. Het betrof een bouwvergunning die was verleend voor de bouw van enkele kassen en een werktuigenloods. Met de bouw van de kassen was echter niet tijdig begonnen. De vraag was of de bouwvergunning kon worden ingetrokken voor zover deze de bouw van de kassen toestond. De Afdeling overwoog:
‘De bouwvergunning is onherroepelijk geworden op 19 mei 2000. Vast staat dat niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning een aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden voor de kassen. Met de bouw van de werktuigenloods is wel een aanvang gemaakt. Nu deze loods ook naar het oordeel van de Afdeling zelfstandig ten dienste kan staan aan de uitoefening van een agrarisch bedrijf, heeft de rechtbank met recht geoordeeld dat het college bevoegd was de bouwvergunning gedeeltelijk in te trekken.’9
Nu de werktuigenloods ook zelfstandig een functie had ten dienste van het agrarisch bedrijf, hoefde dit deel van de bouwvergunning (oud) dus niet door de intrekking te worden geraakt. Intrekking van de vergunning voor zover deze zag op de bouw van de kassen volstond.
Bij de vraag naar de reikwijdte van de intrekking is voorts art. 2.7 Wabo van belang. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de aanvrager ervoor dient te zorgen dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. Het begrip onlosmakelijke activiteit wordt in art. 1.1 lid 1 Wabo gedefinieerd als een
‘activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2.’
Het betreft activiteiten die niet fysiek te scheiden zijn.10 Een voorbeeld van een onlosmakelijke activiteit biedt een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak uit 2012. Er was een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van een groot aantal bomen. In deze vergunning was een tweetal toestemmingen opgenomen, te weten een toestemming voor het uitvoeren van een werk in strijd met het bestemmingsplan (art. 2.1 lid 1 aanhef en onder c Wabo)11 en een toestemming voor het vellen van een houtopstand (art. 2.2 lid 1 aanhef en onder g Wabo). Volgens de Afdeling was hier sprake van onlosmakelijke activiteiten.12
Het feit dat sprake is van een onlosmakelijke activiteit als bedoeld in art. 2.7 Wabo, welke bepaling betrekking heeft op de aanvraag voor een omgevingsvergunning, kan gevolgen hebben voor de uitoefening van de intrekkingsbevoegdheid. Immers, wanneer een toestemming voor een bepaalde activiteit wordt ingetrokken welke onlosmakelijk samenhangt met een andere activiteit, moet worden bezien of de intrekking ook de toestemming voor laatstgenoemde activiteit raakt. Van belang daarbij is of aan de toestemming voor de activiteit die na intrekking resteert nog zelfstandige betekenis toekomt. Is dat niet het geval, dan zullen door de intrekking beide toestemmingen worden aangetast.13 Een en ander is sterk afhankelijk van het type activiteit waarvoor de vergunning is verleend. Per geval dient dus te worden beoordeeld of aan een toestemming nog zelfstandige betekenis toekomt.