Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.3.5.1
III.10.3.5.1 Temporele werking van de intrekking
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382549:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Blomberg 2000, p. 109 en Blomberg en Michiels 1997, p. 90.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan toegebrachte geluidhinder. Een intrekking ex tunc zou eventueel wel tot aansprakelijkheid van de vergunninghouder kunnen leiden.
Van Bommel 2010, p. 1043 met een verwijzing naar ABRvS 25 april 2007, BR 2007/158 m.nt. Rademaker. Zie ook ABRvS 13 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK8988 en ABRvS 29 februari 2012, AB 2012/138 m.nt. Nijmeijer en JB 2012/91. Zie voorts Van Buuren e.a. 2014, p. 195.
Van Buuren e.a. 2014, p. 195, Nijmeijer, Hillegers en Lam 2013, p. 168.
Intrekking van een omgevingsvergunning om te bouwen hoeft niet per se met terugwerkende kracht plaats te vinden alvorens tot handhaving over te kunnen gaan. Op grond van art. 2.3a Wabo is immers het in stand laten van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning verboden. Vgl. Van Buuren e.a. 2014, p. 195.
Bijvoorbeeld middels een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Daarbij moet worden opgemerkt dat ongedaanmaking niet altijd zal kunnen plaatsvinden. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de situatie waarin onvoldoende toezicht is gehouden tijdens de bouw van een bouwwerk of het bouwwerk na afronding ervan niet gereed is gemeld. De ongedaanmaking zou dan afbraak van het bouwwerk kunnen inhouden, zij het dat het mijns inziens niet voor de hand ligt dat ten aanzien van dergelijke overtredingen überhaupt tot (gehele) intrekking van de vergunning wordt overgegaan.
In paragraaf 7.1 is onderscheid gemaakt tussen de intrekking met en de intrekking zonder terugwerkende kracht. Voor de vraag of intrekking al dan niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden, dient in de eerste plaats de betreffende intrekkingsregeling geraadpleegd te worden. De Wabo zwijgt daarover echter, evenals de parlementaire geschiedenis. Het recht van voor inwerkingtreding van de Wabo biedt enkele aanknopingspunten. Ten aanzien van de intrekking van milieuvergunningen op grond van art. 18.12 Wm (oud) is in de literatuur opgemerkt dat slechts intrekking ex nunc mogelijk is.1 De gedachte daarbij lijkt te zijn dat door bijvoorbeeld overtreding van vergunningvoorschriften toegebrachte hinder is toegebracht, bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt.2 Intrekking van de vergunning kan slechts bewerkstelligen dat de overtredingen in het vervolg niet meer plaatsvinden. Ten aanzien van de intrekking van bouwvergunningen is in de jurisprudentie diverse malen overwogen dat deze met terugwerkende kracht plaatsvindt.3
Wat betreft intrekking op de gronden zoals neergelegd in de Wabo is het mijns inziens in de eerste plaats van belang dat per intrekkingsgrond bezien wordt of aan de intrekking terugwerkende kracht wordt verleend. Gaat het bijvoorbeeld om intrekking op grond van art. 2.33 lid 1 onder d Wabo (veroorzaken van ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu), dan lijkt mij slechts intrekking ex nunc mogelijk. Doel van de intrekking is immers dat de inrichting geen ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu meer veroorzaakt. Intrekking ex nunc volstaat daartoe. Zoals gezegd kunnen reeds veroorzaakte nadelige milieugevolgen niet meer ongedaan worden gemaakt via een intrekking. Hetzelfde geldt ten aanzien van de intrekking wegens het bestaan van nieuwe technieken. Wordt een omgevingsvergunning ingetrokken omdat deze is verleend ten gevolge van door de aanvrager verstrekte onjuiste of onvolledige gegevens, dan kan mijns inziens ex tunc worden ingetrokken.
Daarnaast is de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend van belang voor de vraag of al dan niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken. Intrekking met terugwerkende kracht vindt immers veelal plaats met het oog op effectuering van de intrekking door ongedaanmaking van reeds op basis van de vergunning verrichte activiteiten. Wanneer een bouwwerk is gebouwd op basis van een later ingetrokken vergunning, kan bijvoorbeeld middels een last onder bestuursdwang de intrekking worden geëffectueerd in die zin dat het bouwwerk ongedaan wordt gemaakt.4,5 Betreft het een omgevingsvergunning voor een aflopende activiteit en heeft deze activiteit reeds plaatsgevonden, dan zal slechts intrekking ex tunc kunnen bewerkstelligen dat de activiteit feitelijk ongedaan gemaakt kan worden.6
Voor de volledigheid wordt het volgende opgemerkt. Naast het feit dat een intrekking ex tunc gewenst kan zijn om hetgeen op basis van de vergunning is verricht ongedaan te maken, kan terugwerkende kracht ook andere gevolgen hebben. In het kader van de Wabo kan worden gedacht aan de strafbaarstelling van het handelen zonder vergunning in de Wet op de economische delicten. In art. 1a nrs. 1, 2 en 3 van de WED wordt bijvoorbeeld het handelen zonder vergunning gekwalificeerd als economisch delict.