Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/324
324 De hoofdlijnen van een specifieke wettelijke regeling
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 16-03-2026
- Datum
16-03-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD51539:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Ook Steneker 2005, p. 62, heeft gepleit voor een wettelijke verplichting van de pandhouder om het geïnde onder te brengen op een kwaliteitsrekening.
Hetgeen ook voor het huidige recht reeds verdedigd wordt door Janssen 1992a, p. 175.
Het lijkt naar huidig recht reeds mogelijk te zijn dat de pandhouder het geïnde in de tussen hem en de pandgever bestaande rekening-courant boekt; zie Rank-Berenschot 1997a, p. 251, Rank-Berenschot 1997b, p. 52 en Stein 2006 (Vermogensrecht), art. 3:246, aant. 38.2.
Een wettelijke regeling voor de inning van een verpande geldvordering door een pandhouder die (nog) niet bevoegd is zich uit het geïnde te voldoen, zou er op hoofdlijnen als volgt uit kunnen zien.
De pandhouder die een verpande geldvordering int en die nog niet bevoegd is zijn door het pandrecht verzekerde vordering uit het geïnde te voldoen, is verplicht en bevoegd tot het openen van een kwaliteitsrekening.
De innende pandhouder is verplicht de vordering te innen door de debiteur zoveel mogelijk te laten betalen op die kwaliteitsrekening casu quo het geïnde (ook indien het bestaat uit chartaal geld) daar terstond naar over te brengen.1
De pandhouder is rechthebbende van de vordering op de bank terzake van een dergelijke kwaliteitsrekening.
Eenieder die een pandrecht had op de geïnde vordering, inclusief de pandhouder die de vordering heeft geïnd, heeft een substitutiepandrecht op de vordering op de bank terzake van de kwaliteitsrekening, ook indien op enig moment tussen de inning en het ontstaan van de vordering op de bank het geïnde niet in chartaal respectievelijk giraal geld geïndividualiseerd was, bijvoorbeeld doordat het oneigenlijk vermengd is geraakt respectievelijk is opgegaan in het saldo van een rekening van de innende pandhouder voordat hij het geïnde op een kwaliteitsrekening heeft gestort.2 Analoog hieraan behouden ook de eventuele overige tot de opbrengst gerechtigden hun rechten.
De pandhouder die in een rekening-courantverhouding tot de pandgever staat, is bevoegd met de pandgever overeen te komen dat de pandhouder, ook indien hij nog niet bevoegd is zichzelf uit het geïnde te voldoen, het geïnde in de rekening-courant met de pandgever te boeken, mits er geen anderen zijn die op het geïnde aanspraak maken. Als gevolg hiervan vindt verrekening plaats van de schuld van de pandhouder aan de pandgever terzake van het geïnde met de vordering van de pandhouder op de pandgever. Zijn er anderen die rechten op het geïnde pretenderen, dan dient de verdeling plaats te vinden volgens het in art. 490b Rv bepaalde.
De pandhouder wiens door het pandrecht verzekerde vordering opeisbaar is, is bevoegd zijn vordering uit het geïnde te voldoen. Zijn er echter anderen die op het geïnde aanspraak maken, dan dient de weg van 490b Rv te worden gevolgd.
Het achter 5. gestelde verdient nog enige toelichting. Aangenomen mag worden dat een pandgever en een pandhouder die in een rekening-courantverhouding tot elkaar staan, het veelal wenselijk zullen vinden dat de rekening-courant wordt ‘gevoed’ door de opbrengst van de aan de pandhouder verpande vorderingen. Is de rekening-courant tevens een bankrekening, dan zal in veel gevallen zelfs worden overeengekomen dat de pandgever zijn debiteuren zal verplichten om te betalen op die bankrekening, zodat hetgeen de pandhouder aldus aan de pandgever verschuldigd wordt, wordt verrekend met zijn vordering op de pandgever.3 Er is geen reden deze afspraken te laten doorkruisen door het inningsbevoegd worden van de pandhouder.4