Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.3.3:1.3.3 Grondreinigingsinstallatie-arrest
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.3.3
1.3.3 Grondreinigingsinstallatie-arrest
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS490420:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie r.o. 3.4.
In dit hoofdstuk staat de vraag waarop de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW ziet. In hoofdstuk 4 zal de samenloop tussen de art. 3:3 j° 5:20 en art. 3:4 j° 5:3 BW besproken worden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit arrest ging het om een grondreinigingsinstallatie, die los geplaatst was op een vloeistofdichte, gewapende betonplaat en relatief eenvoudig te demonteren en te verplaatsen was. De vraag was of de grondreinigingsinstallatie een onroerende zaak was in de zin van art. 3:3 lid 1 BW, zodat deze betrokken kon worden in de aanslag onroerendezaakbelastingen. Het hof oordeelde dat de installatie conform de bedoeling van belanghebbende ontworpen was als een mobiele installatie, maar dat deze bedoeling onvoldoende naar buiten kenbaar was en dat wel uit de naar buiten toe kenbare feiten en omstandigheden afgeleid moest worden dat de installatie bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven. De Hoge Raad oordeelde dat dit geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en dat het voor het overige, nu het verweven was met waarderingen van feitelijke aard, niet op zijn onjuistheid kon worden getoetst. De door het hof in aanmerking genomen feiten bestonden onder meer uit het gewicht van ten minste 120 ton en de afmetingen van 16 meter lengte en 3,5 meter breedte van de installatie, alsmede de omstandigheid dat de installatie reeds vanaf 1986 ter plaatse stond.1
Zowel het WKK-arrest als het grondreinigingsinstallatie-arrest duiden erop dat de strikte toets van bestanddeelvorming op grond van art. 3:4 BW omzeild kan worden door te stellen dat een zaak, die zich bevindt in een gebouw of werk, een werk is dat bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, zodat het op grond van de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW een onroerende zaak is. Op grond van art. 5:20 lid 1 sub e BW vindt (in beginsel) natrekking plaats door de eigendom van de grond.
Mijns inziens zorgt deze ontwikkeling – wederom – voor een enorme uitdijing van het onroerende zaaksbegrip. Hierdoor zou al hetgeen zich in een gebouw bevindt en op grond van de naar buiten kenbare feiten bestemd is om duurzaam ter plaatse als een onroerende zaak kwalificeren. Is het nu bijvoorbeeld zo dat de servers, die door de universiteit gebruikt worden in hun data center op grond van de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW onroerend zijn? Dit lijkt mij een zeer ongewenste situatie en is, zoals ik in het navolgende uiteen zal zetten, niet in lijn met de herkomst van de indirecte vereniging in de wet. Gepleit zal worden voor een strikte(re) toepassing van de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW.2