Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/I.2.4.3
I.2.4.3 (Neuro)geheugendetectie in de Verenigde Staten van Amerika en Israël
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS456756:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.A. Podlesny, ‘Is the guilty knowledge polygraph technique applicable in criminal investigations? A review of FBI case records’, Crime Laboratory Digest 1993, 3, p. 57-61.
J.A. Podlesny, ‘A Paucity of Operable Case Facts Restricts Applicability of the Guilty Knowledge Technique in FBI Criminal Polygraph Examinations’, Forensic Science Communications, 2003, 3. https://archives.fbi.gov/archives/about-us/lab/forensic-sciencecommunications/fsc/july2003/podlesny.htm, laatst geraadpleegd op 16 februari 2017.
J.A. Podlesny, ‘A Paucity of Operable Case Facts Restricts Applicability of the Guilty Knowledge Technique in FBI Criminal Polygraph Examinations’, Forensic Science Communications, 2003, 3. https://archives.fbi.gov/archives/about-us/lab/forensic-sciencecommunications/fsc/july2003/podlesny.htm, laatst geraadpleegd op 16 februari 2017.
GAO: Report to the Honorable Charles E. Grassley, U.S. Senate, Federal Agency Views onthe Potential Application of ‘Brain Fingerprinting’, 2001, p. 8.
J.P. Rosenfeld, ‘“Brain Fingerprinting”: A critical analysis’, The Scientific Review of Mental Health Practice 2005, 1, p. 28 e.v.
Iowa Supreme Court 26 februari 2003, nr. 01-0653 (Harrington v. State).
G. Ben-Shakhar, M. Bar-Hillel & M. Kremnitzer, ‘Trial by Polygraph: Reconsidering the Use of the Guilty Knowledge Technique in Court’, Law and Human Behavior 2002, 5, p. 527-541.
De algemene tendens lijkt dan ook om de leugendetectietest te bestempelen als ontoelaatbare methode, zelfs bij vrijwillige afname. HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU5496, r.o. 8.4 (Lucia de B.) en BGH 17 december 1998, BGHSt 44, 308 (Lügendetektorals Beweismittel) en US Supreme Court 31 maart 1998, 44 M. J. 442, r.o. II.A (United States vs. Scheffer (96-1133)). Overigens heeft het Belgische Hof van Cassatie het gebruik niet in algemene zin verboden en ziet het als een ‘bijzondere ondervragingsmethode’ waarvan de feitenrechter zelf de waarde moet vaststellen: Hof van Cassatie van België 15 februari 2006, P.05.1583.F/1.
E. Elaad, ‘Detection of Guilty Knowledge in Real-Life Criminal Investigations’, Journal of Applied Psychology 1990, 6, p. 521-529 en E. Elaad, A. Ginton & N. Jungman, ‘Detection Measures in Real-Life Criminal Guilty Knowledge Tests’, Journal of Applied Psychology 1992, 5, p. 757-767.
E. Elaad, ‘The Challenge of the Concealed Knowledge Polygraph Test’, Expert Evidence, 1998, 3, p. 171 e.v.
E.H. Meijer, B. Verschuere, M. Gamer, H. Merckelbach & G. Ben-Shakhar, ‘Deception detection with behavioral, autonomic, and neural measures: Conceptual and methodological considerations that warrant modesty’, Psychophysiology 2016, early view online, p. 8.
Ondanks dat verschillende onderzoekers uit de Verenigde Staten van Amerika en Israël toonaangevend zijn met betrekking tot het wetenschappelijke onderzoek naar de neurogeheugendetectiemethode, blijft de toepassing in die landen in de praktijk veelal achterwege. Podlesny berichtte in 19931 op basis van een kleinere steekproef, en in 20032 op basis van steekproef van 758 zaken dat de meeste zaken geen ruimte zouden hebben geboden om een GKT af te nemen. Dit heeft vooral te maken met het moment van afname en hoeveel verschillende vragen in de GKT kunnen worden opgenomen. Zoals in het volgende hoofdstuk nog uitgebreid wordt besproken, kan daderkennis prijs worden gegeven tijdens een verhoor met de confrontatietechniek, door inzage in processtukken en via de media (en daarom wordt in Japan de GKT voor het eerste verhoor afgenomen). Als een onschuldige verdachte op een van deze manieren daderkennis tot zich heeft genomen, bemoeilijkt dit de afname van de GKT. Podlesny komt in zijn artikelen voor de Amerikaanse praktijk dan ook tot de conclusie dat ‘the GKT has not been used because it is rarely applicable’.3 Op de plaats delict wordt te weinig informatie gevonden die geschikt wordt geacht voor de GKT en die in het verloop van de procedure niet prijs is gegeven. Een rapport van verschillende Amerikaanse opsporingsdiensten sluit af met gelijkluidende conclusie: ‘CIA, DOD, FBI, andSecret Service do not foresee using the Brain Fingerprinting technique for their operationsbecause of its limited application.’4 Overigens wordt in de literatuur5 over een zaak bericht waarin de afname van de GKT bij een al veroordeelde leidde tot de conclusie dat hij geen daderkennis bezat. Toen de getuige àcharge met deze uitkomst werd geconfronteerd, trok hij zijn belastende verklaring in waardoor de uitspraak werd herzien.6
In Israël wordt ook veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar (neuro) geheugendetectie. Een van de meest prominente onderzoekers op dit gebied, Gershon Ben-Shakhar, publiceerde samen met twee collega’s in 2002 een oproep voor de praktijk en gerechten om de GKT serieus te nemen.7 De GKT heeft namelijk een sterkere wetenschappelijke fundering dan de standaard leugendetectie die door velen als ontoelaatbaar wordt gezien.8 Het probleem is echter dat weinig onderzoek wordt gedaan naar de praktijk waardoor de externe validiteit onduidelijk blijft. Over de Israëlische praktijk zijn slechts twee artikelen (in de Engelse taal) te raadplegen.9 Waar het wetenschappelijk onderzoek met de GKT goede resultaten laat zien (waarover in het volgende hoofdstuk meer), blijven de uitkomsten in veldonderzoek achter. Uit de twee zojuist aangehaalde onderzoeken van Elaad naar de Israëlische praktijk blijkt dat de schuldige verdachten in 42 procent (1990) en 62,5 procent (1992) van de gevallen correct werden geclassificeerd en de onschuldige verdachten in 92 procent (1990 en 1992) correct werden herkend. Een belangrijk praktisch probleem dat in het veldonderzoek van Elaad naar voren komt, is hoe de daadwerkelijke schuldigen moeten worden herkend. Hij gebruikte hiervoor een later afgelegde bekennende verklaring, maar benoemt zelf later het gevaar daarvan omdat een bekennende verklaring niet per definitie de waarheid is.10 Het zoeken naar een geschikt criterium voor ‘schuld’/ ’schuldig geheugen’ in veldonderzoek lijkt een van de redenen te zijn waarom er weinig veldonderzoek wordt verricht en gepubliceerd. Hierin is ook een duidelijke afwijking te zien ten aanzien van de Japanse praktijk. In Japan wordt, anders dan in de onderzoeken van Elaad, geen algemene conclusie over schuld gegeven, maar ‘slechts’ gerapporteerd welke daderkennis de onderzochte persoon bezit. Overigens blijft telkens de oproep verschijnen om in toekomstig onderzoek aandacht te besteden aan de verbetering van de externe validiteit (de vertaling van de test in het laboratorium naar de test in de praktijk).11