Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.2.1.3
3.2.1.3 Staatsregeling voor het Bataafsche volk 1798
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977845:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie: A.M. Elias & C.M. Schölvinck (eds.), Volksrepresentanten en wetgevers. De politieke elite in de Bataafs-Franse tijd 1796-1810, Amsterdam: Van Soeren 1991; Boekholt & De Booy 1987, p. 95-96 en P. de Rooy, ’De staat verdrukt, de wet is logen’, in: N. van Sas & H. te Velde (red.), De eeuw van de grondwet. Grondwet en politiek in Nederland 1798-1917, Deventer: Kluwer 1998, p. 266-297.
Idenburg 1964, p. 26.
De Staatsregeling voor het Bataafsche volk, inwerkingtreding op 1 mei 1798, in: Van Hasselt, Nederlandse staatsregelingen en grondwetten, Alphen a/d Rijn: Samsom 1956, p. 17.
Ibid., artikel 6, eerste volzin.
Curs.W; Ibid., artikel 7.
Artikel 2, Titul 1 Acte van Staatsregeling. De formulering ‘Gezamenlijke Leden der Maatschappij, Burgers genoemd’ is van betekenis voor het gehele volk, daar de katholieken na eeuwenlange wettelijke achterstelling als volwaardige staatsburgers zijn erkend, zie: M. Mathijssen, Katholiek middelbaar onderwijs en intellectuele emancipatie, Assen: Van Gorcum 1958, L.J. Rogier & N. de Rooy, In vrijheid herboren , ‘s-Gravenhage: Pax 1953, J.M. Witlox, De staatkundige emancipatie van Nederlands katholieken 1848-1870, Bussum: Brand 1969, J.J. Dellepoort, De priesterroepingen in Nederland, ´s-Gravenhage: Pax 1955 en De Jong 2018, p. 31-32.
Curs.W; Artikel 11b, Titul II Acte van Staatsregeling; vgl. Jos de Jong 2018, p. 31-32, 171.
F. Grijzenhout, Feesten voor het vaderland: patriotse en Bataafse feesten 1780-1806, (diss. VUA), Zwolle: Waanders 1989.
Voor de Staatsregelingen 1801 en 1805 en de Constitutie 1806 in relatie tot het onderwijs, zie: L. de Gou, De Staatsregeling van 1801. Bronnen voor de totstandkoming, Den Haag: Instituut voor Nederlandse geschiedenis (ING) 1995 en De Staatsregeling van 1805 en de Constitutie van 1806. Bronnen voor de totstandkoming, Den Haag: ING 1997.
G. Bolkestein 1914, p. 8, 21 e.v.
Reeds in de eerste Nationale Vergadering staat het volksonderwijs - als aanhoudende zorg van de regering - centraal.1 De preambule van de Staatsregeling 1798, met een pedagogisch pathos2, luidt:
‘Het Bataafsche Volk, zig vormende tot eenen ondeelbaren Staat, en bezeffende, dat het voorname bederf van alle Regeeringen gelegen is in de miskenning der natuurlijke en geheiligde regten van den Mensch in de maatschappij, verklaart de navolgende stellingen als den wettigen grondslag, waarop Het zijne Staatsregeling vestigt’.3
Uit de algemene beginselen van de Staatsregeling van 1798 blijkt dat:
‘alle de pligten van den Mensch in de maatschappij hunnen grondslag hebben in deze heilige wet: Doe eenen ander niet, hetgeen gij niet wenscht dat aan u geschiede.4 Niemand is een goed Burger, dan die de huislijke pligten, […], zorgvuldiglijk uitoefent, en […] aan zijne maatschappijlijke betrekkingen voldoet’.5
Acte van Burgerschap
De Staatsregeling bepaalt dat ‘de Oppermagt in de gezamenlijke Leden der Maatschappij, Burgers genoemd, berust en dat de voordduuring der openbare Inrigtingen van Onderwijs wordt geregeld’.6 Op basis van de Staatsregeling is ‘een uitdrukkelijke acte van Burgerschap’ te verkrijgen voor de bewezen burgertrouw na het afleggen van een verklaring van ‘onveranderlijke afkeer van het Stadhouderlijk Bestuur, het Foederalismus, de Aristocratie en Regeeringsloosheid’.7 Ook zijn de nationale feesten vastgelegd ‘om de broederschap aan te wakkeren8 en de burgerij aan de Staatsregeling, de landswetten, het Vaderland en de fundamentele vrijheid te verbinden’.9 De Vergadering richt zich mede op de regeling van ‘middelbaar onderwijs’.10