Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/I.2.2.4.1
I.2.2.4.1 Maken, opslaan en ophalen van herinneringen
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS454364:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R.C. Atkinson & R.M. Shiffrin, ‘Human memory: A proposed system and its control processes’, in: K.W. Spence & J.T. Spence (eds.), The psychology of learning and motivation:Advances in research and theory, vol. 2, 1968, New York, NY: Academic Press, p. 92- 106. Zie ook A. Parker, ‘Memory and Amnesia’, in: J. Stirling & R. Elliot (eds.), IntroducingNeuropsychology, 2nd edition, New York, NY: Psychology Press 2008, p. 153. Parker schrijft over ‘acquiring, storing, and retrieving information’.
A. Parker, ‘Memory and Amnesia’, in: J. Stirling & R. Elliot (eds.), Introducing Neuropsychology, 2nd edition, New York, NY: Psychology Press 2008, p. 154.
I. Berg & B. Deelman, ‘Geheugen’, in: B. Deelman, P. Eling, E. de Haan & E. van Zomeren (red.), Klinische neuropsychologie, Amsterdam: Boom 2006, p. 178.
A. Parker, ‘Memory and Amnesia’, in: J. Stirling & R. Elliot (eds.), Introducing Neuropsychology, 2nd edition, New York, NY: Psychology Press 2008, p. 154.
A.D. Baddeley & G. Hitch, ‘Working memory’, in: G.A. Bower (ed.), Learning and motivation, New York: Academic Press, 1974.
Voor de personen die een drang voelen te toetsen of zij het correct hebben onthouden, het juiste antwoord is d.
Volgens het Modal-model (figuur 3, links) van Atkinson en Shiffrin komt een mens volgens drie stappen tot een herinnering.1 Als eerste dient een persoon informatie waar te nemen. Het waarnemen van informatie activeert het zintuiglijke geheugen (sensory register). Dit geheugen is niet bewust toegankelijk. Het registreert enkel wat onze zintuigen waarnemen. Het zintuiglijke geheugen maakt een grove selectie in alle waargenomen informatie. Tijdens een vluchtige blik op ‘De Nachtwacht’ wordt alles waargenomen en verwerkt in het sensorisch register, maar slechts bepaalde aspecten worden bewust geselecteerd, bijvoorbeeld de personen op de voorgrond van het schilderij. Een auditief voorbeeld: op een feest worden alle gesprekken tot een bepaald niveau waargenomen als geroezemoes, maar als iemand je naam noemt of ‘brand’ roept, wordt die informatie geselecteerd en getransfereerd naar het korte termijngeheugen. Of informatie door het zintuiglijke geheugen komt, heeft onder andere te maken met het belang van de informatie (bijvoorbeeld ‘brand’), aandacht die aan de informatie wordt besteed of de afstand (voorgrond versus achtergrond op een schilderij). Informatie die niet wordt geselecteerd, die niet door het sensorisch register heen komt, wordt vergeten. Vertaald naar de GKT: om (neuro)geheugendetectie toe te kunnen passen, moet de verdachte auditief en/of visueel informatie (daderkennis en afleiders) worden aangeboden ter waarneming.
Figuur 3. Links: Het Modal-model van Atkinson en Shiffrin. Rechts: Werkgeheugen van Baddeley. Het werkgeheugen is een nadere (en enigszins andere) uitwerking van het zintuiglijke en korte termijngeheugen van het Modal-model.2
De informatie komt vervolgens in het korte termijngeheugen. Dit geheugen kan informatie vasthouden, informatie transformeren en informatie in verband brengen met eerder opgeslagen informatie uit het lange termijngeheugen.3 En, vooral dat laatste is van belang voor (neuro)geheugendetectie omdat wordt onderzocht of de waargenomen informatie al eens eerder is waargenomen. Onderzoek van Baddeley en collega’s laat echter zien dat het te kort door de kocht is om te spreken van één korte termijngeheugen.4 Het korte termijngeheugen uit het Modal-model wordt in Baddeleys theorie vervangen door het werkgeheugen (figuur 3, rechts).5 Het werkgeheugen bestaat uit meerdere delen: 1) een ‘central executive’ en; 2) ‘slave systems’. Het centrale executieve deel controleert het auditief-verbale en visueel-ruimtelijke slaafsysteem en reguleert hoeveel aandacht wordt besteed aan informatie die in de verschillende slaafsystemen binnenkomt.
Een voorbeeld: Na het waarnemen van een ananas (sensory input) kan daaraan in het werkgeheugen de herinnering over de smaak van een ananas (uit het lange termijngeheugen) worden geassocieerd. Informatie in het werkgeheugen wordt voor een bepaalde, korte tijd vastgehouden en kan worden gemanipuleerd (zo kan de ananas in gedachten van alle kanten worden bekeken terwijl we in realiteit maar een kant zien). Een ander voorbeeld (over de termijn van ‘vasthouden’ van informatie): het vasthouden van een telefoonnummer in het werkgeheugen duurt zolang totdat het nummer is ingetoetst waarna het of wordt vergeten of wordt getransfereerd naar het lange termijngeheugen.
Transfer van het werkgeheugen naar het lange termijngeheugen volgt wanneer nieuwe informatie voldoende aandacht krijgt in het werkgeheugen, bijvoorbeeld door herhaling of diepere verwerking. Hoe vaker informatie wordt herhaald, hoe groter de kans dat de opslag van de informatie in het lange termijngeheugen plaatsvindt. Hoe vaker een telefoonnummer wordt gebruikt, hoe groter de kans dat de informatie in het lange termijngeheugen wordt opgeslagen (en het niet telkens hoeft te worden opgezocht). Diepere verwerking vindt bijvoorbeeld plaats als (de informatie over) de gebeurtenis belangrijk voor de persoon is of als het om indrukwekkende informatie gaat. Bepaalde gebeurtenissen – zoals de geboorte van een kind of de aanslag op het World Trade Center op 9 september 2001 – maken zo’n impact op dat moment dat ze direct in het lange termijngeheugen worden opgeslagen. Het idee is dat het plegen van een (ernstig) strafbaar feit tot diepere verwerking leidt omdat de gebeurtenis opvallend is. Het lange termijngeheugen heeft een enorme capaciteit en slaat informatie in beginsel definitief op (dit betekent echter niet dat alles altijd kan worden herinnerd).
Het herinneren van informatie kan op verschillende manieren plaatsvinden, namelijk door herkenning en reproductie. Een voorbeeld: De meerkeuzevraag ‘in welke hersenschors wordt visuele informatie verwerkt: a) frontaal; b) temporaal; c) pariëtaal; d) occipitaal?’6 kan correct worden beantwoord als herkenning van het juiste antwoord plaatsvindt. Bij een open vraag is herkenning van het correcte antwoord onmogelijk, maar het geven van een juist antwoord is weldegelijk mogelijk als de kandidaat het antwoord kan reproduceren. In de eerste situatie wordt, door het waarnemen van de nieuwe informatie (de vraag), daaraan automatisch oude informatie over hetzelfde onderwerp gekoppeld. In de tweede situatie gaat een persoon ‘op zoek’ naar informatie in het lange termijngeheugen en als de zoektocht succesvol verloopt, kan hij de informatie reproduceren. Dit laatste is natuurlijk niet mogelijk bij (neuro)geheugendetectie omdat de hersenen geen antwoord kunnen formuleren. (Neuro)eheugendetectie is derhalve gebaseerd op basis van de premisse dat herkenning van het daderkennis antwoord plaatsvindt.