Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/4.4.8
4.4.8 Gift (schenking)
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379232:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Hyland 2009, p. 575; Bridge 2002, p. 93; Thompson v Leach (1690) 86 ER 391; Standing v Bowring (1885) 31 Ch D 282.
Worthington 2000, p. 229.
Van Vliet 2000, p. 209.
Hyland 2009, p. 484 en 493. Zie ook Halsbury’s Laws Of England, vol. 52, 2014, par. 249. Hyland stelt elders (p. 491) dat aanvaarding wordt verondersteld en dat de wil van de ontvanger pas relevant wordt als hij een gift wil weigeren. Zie ook Sheehan 2011, p. 56. Dit is mijns inziens contradictoir: als aanvaarding niet vereist is, hoeft zij niet te worden verondersteld. Ik vat Hylands opmerking zo op, dat aanvaarding niet vereist is, omdat de wil daartoe doorgaans aanwezig is.
(1885) 31 ChD 282. Zie ook London and County Banking Co Ltd v London and River Plate Bank Ltd (1888) 21 QBD 834; Shephard v Cartwright [1955] AC 431.
(1855) 119 ER 519. Zie ook Xenos v Wickham (1866) LR 2 HL 296.
Thompson v Leach (1690) 86 ER 391. Zie voor een andere toepassing van deze presumptie Lord Diplock in Modern Engineering v Gilbert Ash [1974] AC 689, p. 717, die veronderstelt dat geen partij beoogt zijn remedies in geval van contractschending op te geven.
Bridge 2002, p. 98.
(1885) 31 Ch D 282.
Mallott v Wilson [1903] 2 Ch 494, p. 501.
202. In deze paragraaf komen vijf figuren aan de orde waarmee eenzijdig goederenrechtelijke rechten kunnen worden overgedragen: deeds, trusts, wills, assignment en gifts. Deze transacties worden vrijwillig uitgevoerd en er wordt geen tegenprestatie geleverd door de verkrijger. Alle voorbeelden kunnen materieel gezien gekwalificeerd worden als een schenking. Ik ben in nrs. 192-196 ingegaan op deeds en trusts. Hier bespreek ik de algemene aspecten van giften en de specifieke karakteristieken van giften van hand tot hand. In de nrs. 204 e.v. komen cessie en testamenten aan de orde.
Naar Engels recht wordt een gift gezien als een manier om eigendom over te dragen, terwijl naar Nederlands recht schenking een contract is.1 Het doel van een schenkingsovereenkomst naar Nederlands recht is het overdragen van het eigendomsrecht, maar het contract is op zichzelf onvoldoende om dat doel te bereiken. Om het eigendomsrecht te doen overgaan moet het goed eerst worden geleverd door een beschikkingsbevoegde vervreemder. De schenkingsovereenkomst is de titel voor overdracht. Naar Engels recht kan een gift geen overeenkomst zijn, omdat er naar de aard van de transactie geen consideration wordt verschaft door de ontvanger. Om naar Engels recht een goed te schenken moeten twee elementen aanwezig zijn. Ten eerste moet de schenker de intentie hebben om zijn eigendomsrecht over te doen gaan op de ontvanger.2 Ten tweede moet er een corporeel element zijn, zoals een deed of de fysieke levering van het goed. Art. 17 van de Sale of Goods Act 1979 bepaalt dat de eigendom van het voorwerp van een koopovereenkomst overgaat op het moment dat partijen dat willen, zonder dat een levering vereist is. Er bestaat dus een consensueel stelsel van overdracht. Voor giften is echter wel een levering vereist, en geldt dus een traditio-stelsel.3
203. Volgens Hyland is voor de voltooiing van een gift naar Engels recht niet vereist dat de ontvanger de gift aanvaardt.4 Als hij de schenking niet wenst te ontvangen, kan hij haar weigeren, maar aanvaarding is niet vereist voor eigendomsverkrijging.
In Standing v Bowring5 werd aanvaarding van een gift vermoed, ook al wist de ontvanger niet van de gift af. In Siggers v Evans6 werd geoordeeld dat aanvaarding niet nodig was om de gift te vervolmaken, maar werd eveneens opgemerkt dat aanvaarding werd verondersteld. Het veronderstellen van aanvaarding wanneer de begunstigde niet van de gift afweet is mijns inziens een fictie. Nu aanvaarding van iets dat hij niet weet niet mogelijk is, is de veronderstelling daarvan zonder betekenis. Hooguit kan worden verwacht dat de ontvanger de gift zal aanvaarden als hij het te weten komt. Bovendien is de fictie van veronderstelde aanvaarding mijns inziens overbodig. Juist omdat een schenking naar Engels recht geen overeenkomst is, maar een goederenrechtelijke transactie, is het onnodig om aanvaarding te construeren. Blijkbaar heerst onder rechters en auteurs nog de neiging om een bilaterale, op contract gelijkende relatie te zoeken tussen schenker en ontvanger. De discussie over de veronderstelde aanvaarding van een gift door een onwetende ontvanger speelt vooral in de context van schenkingen die worden gedaan in een deed en niet zozeer bij giften van hand tot hand. Voor een geldige deed is niet vereist dat de intentie van de partij die de deed maakt, bekend is bij de begunstigde.
De ratio van de regel dat aanvaarding niet is vereist voor het voltooien van een gift ontleent Hyland aan het arrest Thompson v Leach, waarin Ventris stelde dat ‘no man can be supposed to be unwilling to do that which is for his advantage’.7 Volgens Bridge kan de regel dat instemming niet noodzakelijk is, algemeen worden toegepast.8 Hij zoekt de rechtvaardiging in het feit dat de transactie geheel gunstig is voor de ontvanger. Uit het arrest Standing v Bowring9 kan worden afgeleid dat naar Engels recht instemming met een gift evenmin is vereist wanneer de gift gepaard gaat met verbintenissen en dus niet geheel gunstig is. Als de ontvanger van een schenking het geschonkene niet wil, kan hij de gift eenzijdig weigeren. Als gevolg van de weigering wordt de schenking verworpen en wordt de ontvanger eveneens bevrijd van de verbintenissen. De ontvanger kan (in het geval van schenking door deed zelfs zonder dat hij daarvan weet) worden belast met verbintenissen die zijn verbonden aan de gift, maar omdat de weigering de gift met terugwerkende kracht vernietigt,10 wordt de ontvanger uiteindelijk niet in een nadelige positie gebracht.