De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/V.21.2.3.4:V.21.2.3.4 Verplichting tot intrekking op grond van Unierecht
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/V.21.2.3.4
V.21.2.3.4 Verplichting tot intrekking op grond van Unierecht
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374134:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Duitse systeem kunnen de §§ 48 en 49 VwVfG een grondslag vormen voor intrekking wanneer het Unierecht tot een dergelijke intrekking verplicht. Een belangrijke kanttekening is, dat belangrijke waarborgen welke zijn neergelegd in deze bepalingen niet gelden indien het Unierecht intrekking dwingend voorschrijft. Meer concreet betekent dit, dat geen beroep meer kan worden gedaan op de voorschriften inzake bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen, zoals deze in genoemde bepalingen zijn neergelegd. In de literatuur is daarom opgemerkt dat genoemde bepalingen niet meer zijn dan een Durchsetzungshebel, een instrument om de intrekking formeel mogelijk te maken. Een en ander heeft tot gevolg dat de §§ 48 en 49 VwVfG gedifferentieerd worden toegepast: in een louter nationale casus worden zij integraal toegepast, maar wanneer sprake is van een Unierechtelijke verplichting tot intrekking vormen zij echter slechts een formele basis voor deze intrekking en komt aan de vertrouwensbescherming geen betekenis meer toe. In het Nederlandse systeem is eenzelfde situatie zichtbaar. Gelet op de jurisprudentie van het HvJ EU1 komt aan toepassing van het nationale vertrouwensbeginsel bij bijvoorbeeld de intrekking van een Europese subsidie vrijwel geen betekenis meer toe. Dat betekent dat de bepalingen van de subsidietitel niet (ten volle) kunnen worden toegepast, nu daarin de positie van de subsidieontvanger wordt beschermd door bijvoorbeeld te mogelijkheid tot intrekking te beperken in tijd.2 De gedachte is daarom dat deze bepalingen geen grondslag kunnen bieden voor intrekking. De tendens is dientengevolge dat op zoek wordt gegaan naar een basis voor intrekking in het Unierecht zelf, bijvoorbeeld in een specifieke verordening. De vraag of dit daadwerkelijk mogelijk is, beantwoordt het HvJ EU in recente jurisprudentie bevestigend.3 Een en ander hangt voorts af van welke regeling voorligt. Deze vergelijking laat zien dat zowel in het Duitse als het Nederlandse stelsel met eenzelfde problematiek wordt geworsteld, maar dat de oplossing die wordt gekozen uiteen loopt. In het Duitse systeem wordt het nationale recht als het ware gemodificeerd, terwijl in het Nederlandse systeem bij gebreke van een grondslag in het nationale recht een grondslag in het Unierecht wordt gezocht.